9 + 10: ‘Mr. Axelrod’s reisplannen’ en: ‘Ik zie er een’..!


(HIERde vorige delen.)

x

Hoofdstuk 9

DE REISPLANNEN VAN MR. AXELROD
x

© vertaling Jan Smith – 2010 WantToKnow.nl/.be

x

 

 

Het aangekondigde contact kwam begin juli 1977, een paar dagen nadat ik die boodschap in het stof onder mijn bureaublad had gelezen..

De campus van het Stanford Research Instituut (SRI) heeft een mooie mensa waar mijn collegae en ik vaak de lunch gebruiken, vooral wanneer we ‘hoog bezoek’ hebben. De toegang tot de mensa wordt gevormd door een grote lobby waarin aan het ene eind een grote wereldbol staat van zo’n 2 meter doorsnede.

Ik herinner me niet meer met wie ik de lunch gebruikte die vrijdag, maar toen we door de volle lobby op weg waren naar de mensa, stond daar plotseling meneer Axelrod in levende lijve, hij bestudeerde aandachtig de grote globe. Toen hij zag dat ik hem had opgemerkt (ik stond  als aan de grond genageld) liep hij snel het herentoilet binnen dat naast de lobby ligt.

De originele cover van het oorspronkelijk boek uit de jaren 1990

Ik deed wat er kennelijk van mij verwacht werd. Ik verontschuldigde mij bij mijn collega’s en zei dat ik even een plasje moest plegen. Daarvoor moest ik eerst de sleutel van de toiletdeur halen bij iemand van het bedienend personeel in de mensa. Bij het SRI werd alles achter slot en grendel gehouden vanwege de connecties met het Pentagon en uit angst voor een terroristische bom in een van de stortbakken.

Toen ik het herentoilet binnenliep deed Axel brutaalweg de deur weer op slot en fluisterde in mijn oor: “Kun je nu weg voor een weekend? Ik wil je ergens mee naartoe nemen en je wat laten zien. Gebaar alleen maar met je hoofd, ja of nee?”

Ik knikte.

“Er staat een auto op de parkeerplaats vlak naast de uitgang. Ik wacht daar op je. Verzin ondertussen een geloofwaardig verhaal voor je vrienden. Je blijft vier dagen weg.” Toen draaide hij de deur weer van het slot.

Terwijl ik me weer bij onze groep in de mensa voegde dacht ik na over een overtuigend excuus. Ik bleef mijn hersens echter pijnigen over het feit dat Axel er kennelijk in was geslaagd ook een sleutel van het toilet te bemachtigen.

Tenslotte vertelde ik mijn collega’s dat ik me zojuist had herinnerd dat ik een lang weekend zou doorbrengen bij vrienden in San Francisco en direct moest vertrekken wilde ik er op tijd zijn en ik liet de groep zonder verdere omhaal achter.

De auto bleek een enorme grote Jeep te zijn en Axel zelf zat al achter het stuur. We reden zwijgend het SRI terrein af. Axel reed de snelweg op in de richting van San Jose en vroeg toen ineens: “Heb jij weleens een Ufo gezien?”

“Ja, ik denk het wel.”

“Kun je daar wat meer over vertellen?”

“Jawel, toen ik op de middelbare school zat in Tooele in Utah, klom ik vaak naar de top van  een hoge heuvel genaamd ‘Little Mountain’. Daarvandaan kun je de hele vallei van Bonneville overzien en bij helder weer zelfs het Grote Zoutmeer in het noorden. Weet je trouwens dat daar grote eilanden in liggen? Het uitzicht was er altijd adembenemend.

Ik knapte er regelmatig ook een uiltje in de late namiddag, maar op die bijzondere dag merkte ik hoog in de lucht een lichtpuntje op, volgens mij vloog het boven Salt Lake City. Het bewoog naar het westen en ik dacht dat het een vliegtuig was dat behoorlijk snel vloog. Maar op een bepaald moment maakt het ineens een scherpe hoek naar beneden, niet met een bocht, maar een echte haakse hoek. Hij stortte regelrecht naar beneden en verdween in de langgerekte schaduwpartijen van de eilanden en de bergen, want de zon stond al aardig laag en ging bijna onder. Ik stond op en dacht dat het vliegtuig was ontploft of neergestort, maar toen zag ik het plotseling weer steil de hoogte in schieten boven de schaduwen uit.
Het ging weer op de voorgaande hoogte vliegen, ik denk zo’n 10 tot 12 kilometer en toen verdween ‘t plotseling in een uitbarsting van licht, het was een prachtig gezicht. Ik wist niet wat ik ervan moest denken, maar jaren later besloot ik dat ik echt een Ufo had gezien nadat mij ter ore was gekomen dat die dingen soms een hoek van 90 graden kunnen maken. Wat het daar aan het doen was en waarom, ging mij toen en nu nog boven de pet, maar die hele show duurde misschien minder dan een minuut en eigenlijk zag ik alleen maar een lichtvlek.”

Axelrod was stil. Het was warm in de Jeep en hij had geen airco.

Toen zei hij: “We krijgen misschien de mogelijkheid er eentje van heel dichtbij te zien. Durf je dat?”

Van alle verrassingen en surprises in het draaiboek van Axel had niets me meer kunnen verbazen.

“Bedoel je dat er hier ergens eentje is!? Hebben jullie er eentje weten te vangen?”

“Oh, nee, dat niet. We moeten straks eerst een stukje vliegen en daarna nog een eind rijden naar een plek waar er zo af en toe eentje opduikt. Denk je dat je mee durft?”

Of ik met hem mee durfde?! Wie zou dat niet willen? Axelrod reed ons naar het vliegveld van San Jose en daar aangekomen liet hij de Jeep op een gereserveerde parkeerplaats voor een van de gebouwen achter. We liepen dwars door de passagiershal en door een deur aan het andere eind weer naar buiten. Daar stond een Lear Jet op ons te wachten.

Andere mensen hadden me ook in soortgelijke vliegtuigen rondgevlogen, rijkelui die geïnteresseerd waren hoe ze paranormale gaven konden gebruiken bij het opsporen van gezonken scheepswrakken of olievoorraden. Ik had wel iets met die elegante vliegtuigjes en hun weelderige en krachtige uitstraling, het waren stuk voor stuk trofeeën van verworven rijkdom.

Naast de Jet stond een van de tweeling op ons te wachten, nu gekleed in een olijfgroene overall en een helm op zijn hoofd – een uitgesproken ‘militaire’ verschijning. Binnen drie minuten waren we in de lucht. Zijn ‘broer’ zat achter de stuurknuppel.

Eenmaal horizontaal vliegend serveerde zijn tegenhanger ons broodjes en Axel zei: “We gaan naar het eind van de wereld, hoor. Het is er behoorlijk koud en ruig. We hebben echter alles bij ons, met inbegrip van een voorraad sigaren van jouw merk (hij glimlachte), dus na het eten moet je zorgen dat je een beetje slaap krijgt. Het is alles bij elkaar ongeveer vijf uur vliegen.We komen in het donker aan en dan moeten we nog zeker een uur of twee met de auto. Vraag me niet waar we naartoe gaan, want dat kan ik je niet vertellen en eh….(hij aarzelde even)…bovendien is het beter als je het niet weet.”

“Weet je, Axel”, antwoordde ik, “misschien zou ik het allemaal wat beter doen, als ik zou weten wat er precies aan de hand was.”

Axel fronste zijn wenkbrauwen terwijl hij bedachtzaam een hap van zijn broodje nam. “Ik kan je echt niet zoveel vertellen”, zei hij langzaam kauwend, “want dat zou onze missie en misschien ook jou persoonlijk in gevaar kunnen brengen. Maar ik zou jou toch kunnen vragen wat JIJ denkt dat er aan de hand is …?”

We waren er weer, hoor, eenrichtingsconversatie, de monoloog die zo typisch was geworden bij alle ontmoetingen met ‘Mr. Axelrod’.

“Nou ja, ik denk dat jullie, wie je ook bent, een probleem hebben en voor zover ik kan zeggen wordt de Aarde op een of andere manier belegerd. Er verschijnen overal Ufo’s, duizenden. En ze zijn weliswaar raadselachtig, maar zorgen toch voor grote bezorgdheid en jullie proberen de puzzelstukjes in elkaar te passen. En ik zou zeggen dat jullie daarbij nog bang zijn ook, zelfs zoveel in je rats zit dat je er zelfs de hulp van paranormaal begaafde mensen bij inroept.”

“Zie je nou”, lachte Axel, “ik hoef jou helemaal niets meer te vertellen, zo is het toch?”

Het mocht niet baten. Dus ik maakte me het gemakkelijk en probeerde wat te slapen, hetgeen me nog lukte ook, tegen alle verwachting in. Axel maakte me wakker. “Maak je gordel vast, we gaan zo landen.” Ik keek uit het raam. Buiten was het donker en ik zag nergens licht. Niet lang daarna kwamen we neer op de landingsbaan zonder de hulp van navigatielichten.

“Geen lampen?” merkte ik op.

“Dit is een hypermodern vliegtuig”, zei Axel. “Het ziet er alleen uit als een gewone Lear Jet.”

Nadat het vliegtuig tot stilstand was gekomen, stapten we de ijskoude buitenlucht in, ik snoof een zware dennengeur in. De tweeling had zaklantaarns bij zich. Dichtbij stond een vrachtauto in camouflagekleuren. Ik zag ook vaag de contouren van een gebouw, maar het was verlaten, in ieder geval brandde er geen licht binnen. Eenmaal in de auto zei Axel: “Hier is een overall, hij is thermisch gevoerd, maar zit best comfortabel. Je moet al je kleren uitdoen en je mag ook geen metalen voorwerpen op je lichaam dragen. Ik weet dat je tandvullingen hebt, maar daar kunnen we niets aan doen. Alle gespen en riempjes, de capuchon en de handschoenen die aan het pak vastzitten zijn gemaakt van hout  en leer.”

Binnen niet al te lange tijd was ik klaar en merkte dat het pak zakken had waarin ik een lekker voorraadje sigaren kon stoppen. Terwijl ik van kleding aan het verwisselen was geweest, had de tweeling de auto gestart en nu waren we inmiddels op weg naar god-mag-weten-waar. De rit duurde ongeveer twee uur. In het pikkedonker reden we omhoog langs een paar steile hellingen met enkele pittige haarspeldbochten. Niemand sprak een woord.

Tegen de achtergrond van de donkere lucht zag ik de silhouetten van hoge naaldbomen die  het verrassend mooie schouwspel van de miljoenen sterren aan het zicht onttrokken. We waren volgens mij ergens in het hoge noorden. Op een zeker moment viel het motorgeluid stil, maar het voertuig reed nog door. Hoe dat mogelijk was, weet ik nog steeds niet, maar de auto bleef gewoon geruisloos doorrijden. Tenslotte kwam hij onder een paar naaldbomen tot stilstand.

We stapten uit. “We moeten nu nog ongeveer driekwartier lopen”, fluisterde Axel. “Het is van het grootste belang dat we zo stil mogelijk doen. Doe net als wij, maak geen geluid, praat niet en steek vooral geen sigaar op!”

Even later liepen we met gezwinde spoed achter elkaar door de totale duisternis. Een aantal malen pakte een van de tweeling mij bij de arm om te helpen, bijvoorbeeld bij het oversteken van een kabbelend beekje, of om over een spleet tussen twee rotsblokken te stappen. Ze droegen alledrie een soort apparaatje voor hun ogen, waarvan ik vermoedde dat het nachtkijkers waren. Ik snapte trouwens niet, waarom ze mij er ook niet een hadden gegeven.

We beklommen een paar rotshellingen en toen daalden we af naar een redelijk vlak gebied dat dicht begroeid was met naaldbomen. Daarna stapten we in een soort droge greppel en na een paar meter gingen we achter een paar rotsblokken op een dik bed van naaldboomtakken zitten.

Axel fluisterde: “We zijn er.” Hij gebaarde de donkere nacht in: “Daar ergens voor ons ligt een meertje. Bij dageraad kun je het tussen de bomen zien liggen. Nu moeten we wachten en hopen dat we geluk hebben. Zeg helemaal niets en maak vooral geen licht.”

‘Geluk?’ Waar sloeg dat nou weer op..?

x

***
x
Hoofdstuk 10

IK ZIE ER EEN..

x

 

Ik zag helemaal niets, behalve het smalle blauwgroene streepje van de vroege dageraad aan de oostelijke horizon. Ik fluisterde tegen Axelrod: “Wat moet ik doen?”

“Alleen maar kijken, later zullen we alles bespreken”, antwoordde hij. “Maar het is heel belangrijk om vanaf nu volledige stilte in acht te nemen. En beweeg je niet tenzij ik het zeg. Ze kunnen als gekken warmte, geluid en beweging waarnemen.”

Dus was ik muisstil. Daar zaten we nou, vier mannen, doodstil. Maar plotseling maakte een van de broers een handgebaar. “Het gaat beginnen”, fluisterde Axel. “Nogmaals, maak alsjeblieft geen enkel geluid en beweeg je niet tenzij wij dat aangeven.”

Ik sperde mijn ogen wagenwijd open om te trachten te ontdekken wat er was begonnen. Ik zag helemaal niets ongewoons behalve iets wat leek op een grijze mist die uit de richting van het meertje was komen opzetten. Eerlijk gezegd dacht ik dat het een normale ochtendnevel was. Maar die mist breidde zich vijf minuten lang uit en plotseling zag ik wat er was ‘begonnen’.

In een oogwenk was de grijze mist van kleur veranderd, eerst in lichtgevend neon groen en toen in schreeuwerig paars. Op dat moment hadden Axel en een van de broers allebei stevig een hand op mijn schouders gelegd en dat was maar goed ook. Een wirwar van paarse, rode en gele lichtflitsen schoot in alle richtingen door de wolk en ik zou zijn opgesprongen als ik niet was tegengehouden.

En toen was het er plotseling. Eerst een beetje doorzichtig, maar het volgende moment werden de contouren meer en meer zichtbaar en vanuit het niets was het er ineens! – heel duidelijk zichtbaar boven het meer waarvan ik de weerspiegelingen nu goed kon zien. En het werd nog steeds groter!
Ik weet echt niet wat ik had mogen verwachten, maar ik was er vanuit gegaan dat als ik iets te zien zou krijgen, het toch op een soort vliegende schotel zou moeten lijken. Maar daar was hier op dit moment geen sprake van. Het was driehoekig en de tophoek pulseerde zodat het eerder op de vorm van een diamant leek.

Op dat moment van opperste verbazing, kon ik het geluid van een aanzwellende wind horen die over ons heen kwam als een tastbaar magnetisch veld. De naaldbomen stonden zo erg te zwaaien dat van sommige de toppen van de takken afbraken die bovenop ons terecht kwamen.

De twee sterke handen op mijn schouders verstevigden hun greep als waarschuwing niet in een puur fysieke reactie te willen opspringen. Op datzelfde moment begonnen er robijnrode laserachtige stralen uit het ding te schieten, dat inmiddels ongelofelijke afmetingen had aangenomen en nog voortdurend in omvang toenam terwijl het nog steeds op dezelfde plek boven het meer hing. Een van de tweelingbroers zei nu iets op zachte toon, hoewel zijn stemgeluid als een donderslag bij mij binnenkwam.

“Shit!  Ze sluiten het gebied af! Ze staan op het punt ons te ontdekken!”

Ik had geen tijd om me af te vragen wat hij in Godsnaam bedoelde. Een paar laserstralen schoten enkele bomen uit de grond. Jezus! Het ding had inmiddels een doorsnee van zo’n 30 meter gekregen en het viel me op dat daarbij geen enkel geluid te horen was geweest. Het omverblazen van de bomen was duidelijk hoorbaar, maar ik begon nu ook het pulserende geluid van lage tonen waar te nemen.

“Ze schieten op herten en reeën of zoiets”, legde Axel op gedempte toon aan mij uit. “De stralen vangen lichaamswarmte op en ze zijn er zeker van dat ze ons ook te grazen kunnen nemen”

Paragnost Ingo Swann vertelt over zijn ervaringen met remote viewing voor een VS-geheime-dienst.

In het volgende ogenblik werd ik door de twee stevige handen terug de greppel ingetrokken. Op de plek waar we even tevoren nog hadden gezeten volgde een verschrikkelijke dreun en een seconde later viel er een lading grote takken en boomtoppen bovenop ons.
Dat was tevens het laatste dat ik van het driehoekige ding te zien kreeg. Op het allerlaatste moment kon ik zien dat het water uit het meer omhoog begon te komen, het ging als in een reusachtige omgekeerde waterval omhoog en leek door de ‘machine’ te worden opgezogen!

Ik was behoorlijk pijnlijk op mijn achterste terechtgekomen. De tweeling sleepte mij nu aan mijn voeten door de greppel en duwden me een tel later onder een laag overhangend rotsblok. Axel viel bovenop me en even later zaten we met zijn vieren als muizen op elkaar geperst onder de rots. Axel haalde moeizaam adem. De tweeling hijgde ook. Ik haalde nauwelijks adem en het duurde een poosje eer ik er erg ik kreeg dat een stuk steen of hout dwars door de pijp van mijn overall in mijn been had gesneden en dat ik een grote bloedende wond had.

Ik hoefde geen enkele gefluisterde waarschuwing die me maande om vooral stil te zijn en geen beweging te maken – ik was werkelijk doodsbang, onbeschrijfelijk angstig. Maar ik voelde ook wel een bepaalde opwinding. Ik had er een gezien!
We bleven naar mijn gevoel ongeveer een kwartier in onze schuilplaats, misschien ook wel korter en mogelijk zelfs een paar uur, ik weet het echt niet meer.In die tijdloze periode hoorde ik een van de tweeling ineens zeggen: “Het is nu veilig”, – hetgeen absoluut de meest idiote opmerking was die ik ooit had gehoord. Als er al iets veilig zou zijn, had ik niet geweten wat.

Axel vroeg of ik gewond was. De tweeling stond op en ging op het gemak om beurten staan plassen terwijl ze de omgeving afspeurden. Voor het eerst merkte ik op dat de lucht door de zon werd beschenen, dat de naaldbomen prachtig donkergroen waren en dat de vogels er vrolijk op los floten. Ik stond trillerig op – en moest direct drie keer achter elkaar overgeven.

Axel was bezig met het inspecteren van mijn beenwond, die niet al te groot was, maar wel des te bloederig. Ik begon zoiets te zeggen als: “Ja, ja”, ik snoof, “tegen niemand vertellen, hoor!”

“Nee”, reageerde Axelrod. “ik wilde dat niet zeggen, maar nu het verdwenen is en alles in orde…”. Het sloeg nergens op. Ik staarde hem ongelovig aan en zei net zo irrationeel: “Dan mag ik nou zeker wel een lekker sigaartje opsteken, hè?” en ik trok er een uit mijn borstzak. Ze bleken allemaal geknakt, maar ik ging op mijn gemak op een steen zitten en likte er een weer fatsoenlijk in vorm, stak hem aan en genoot van de eerste paar diepe halen.

Een van de tweelingbroers liep te hinken. De ander zat nonchalant met een klein takje het vuil onder zijn vingernagels vandaan te peuteren. En ik? Bij mij was sprake van een vloedgolf van opgekropte woede die door mijn hele lijf gierde en ervoor zorgde dat mijn handen hevig trilden. Mijn realiteitszin lag volledig in duigen; het ultieme La-La-Land voor mij.

Even later vertelde Axel dat het water uit de beek goed te drinken was en een van de broertjes gaf met zijn hoofd een teken dat we moesten vertrekken. Dat deden we ook en als men niet beter wist zag ons groepje eruit alsof we net terugkeerden van een klimexpeditie.

“Zo”, vroeg Axelrod onder het lopen, “wat voelde je?”

Ik barstte in lachen uit: “Jij bent ook compleet gek, Axel! Ik moet heel erg ontspannen zijn en goed in vorm om iets te kunnen voelen of opvangen. Maar jij kunt er in ieder geval zeker van zijn dat je een enorm probleem hebt!”

Maar toen zei ik: “Het was een ‘drone’ of iets anders dat onbemand is en op afstand bestuurd wordt, is het niet?”

Axel fronste zijn wenkbrauwen weer eens toen hij langs de omlaag lopende helling speurde.

“Wat deed het daar?” vroeg hij hypothetisch.

“Ja, Jezus! Het had dorst, nou goed!! Dat zag je toch, het dronk water! Iemand, ergens, heeft kennelijk behoefte aan water en ze kwamen het gewoon hier even halen. Je hoeft niet helderziend te zijn om dat in de gaten te hebben! Yeah! Dat is het, bevoorradingsschip ‘Aarde’! Laten we even naar de Aarde vliegen, boodschappen doen, spullen inslaan, water halen, zoiets is het!”

We liepen zwijgend verder tot we even later weer over de hobbelige weg naar beneden reden, voorzien van verse, ongebroken sigaren en smakelijke broodjes.

“Weet je, Axel”, zei ik tenslotte, “ze zijn echt gemeen dat ze op herten en reeën schieten. Wat kan dat nou te betekenen hebben. Ik heb weleens gelezen dat sommige Ufo’s mensen verschroeiden. Is dat waar?”

Zonder te wachten op een antwoord, dat ik toch niet zou krijgen, gaf ik mezelf antwoord. “Ja, ik denk het wel. Ik denk dat wij ook de kans liepen om te worden vermoord, denk je ook niet? Het lijkt net of jullie er al aan gewend zijn, doen jullie dit zo af en toe wel vaker?”

Toen we tenslotte op de vliegstrip aankwamen, waarvan ik aangenomen had dat die wel geheim was, zag ik dat het er toch aardig druk was. Er stond een Amerikaans postvliegtuig van een maatschappijtje in Alaska; drie blanke mannen met wollen jassen en cowboyhoeden zaten lui op een van de houten banken voor het kleine gebouwtje; een pick-uptruck van de politie ‘gevuld’ met drie zeer corpulente sheriffs; en een stuk of tien vrouwen, vermoedelijk Eskimo’s.

Ze bleven allemaal uit onze buurt.

Naast het vliegtuig zag het er gezellig uit: zo uit LA overgevlogen: een oranjekleurig karretje met een blauwe paraplu erboven waar dampende hotdogs werden verkocht. Er stond niemand bij het vreemde karretje, maar de tweeling liep er regelrecht heen en maakten voor zichzelf een paar lekkere warme hotdogs, compleet met geurige zuurkool.

“Wil je er ook een?” vroeg Axel. Ja, dat wilde ik wel, ik lustte er wel drie, met veel mosterd en ketchup.

“Weten zij wat jij bent?” vroeg ik, terwijl ik in de richting van de toeschouwers knikte. En nu kreeg ik zomaar antwoord op mijn vraag!!

“Wel”, antwoordde Axel, “er is ze in algemene zin verteld dat wij een stelletje schatrijke milieufreaks en vogelaars zijn die de gevolgen van de zure regen komen onderzoeken.”

“Wat een lulverhaal”, giechelde ik. “Zij weten donders goed wat zich hier allemaal afspeelt. Dat is waarschijnlijk de reden dat jij ook te weten bent gekomen over die ‘shoppende’ ET’s’.”

De tweeling had de vliegtuigmotoren inmiddels gestart. Toen we opstegen zag ik drie Eskimovrouwen het gekleurde karretje het gebouwtje binnenduwen. Ongeveer tien minuten later vlogen we over een uitgestrekt en prachtig bergmassief en toen nog een en na ongeveer veertig minuten passeerden we een kustlijn en zagen we een uitgestrekte oceaan onder ons door glijden.

“Alaska, neem ik aan. Dat stond tenminste op dat postvliegtuig”, murmelde ik tegen mezelf omdat ik toch geen antwoord kon verwachten.

“Heb je enig idee hoe het object zich voortbeweegt?” vroeg Axel daarentegen.

Ik keek hem aan en begon te schateren. Hij maakte toch zeker een grapje! Het ‘object’, ja natuurlijk.

“Nou, ik denk dat het een soort ‘ruimteverplaatsingsding’ is”. Ik zweeg even afwachtend en vervolgde toen: “Kom op Axel, ik zou het echt niet weten. Maar ik kan me wel voorstellen dat mensen die zoiets hebben aanschouwd het niet geloven – en ook dat mensen die het niet gezien hebben het niet KUNNEN geloven.”

Axel was stil en staarde uit het raam.

Ik ging verder: “Als ik me goed herinner, ‘transporteerde’ het ding niet zichzelf. Het GROEIDE precies op de plek waar het tevoorschijn was gekomen. Het was piramidevormig, in ieder geval geen schotel. Wij denken altijd aan een schotel die in het rond vliegt en als we denken aan dingen in de lucht, dan denken we ook altijd aan vliegen. We denken niet aan dingen die ter plekke in de lucht groeien.”

Axelrod bestudeerde me, en ik zag dat hij zat te zweten. “Voel je je niet lekker?”, vroeg ik hem.

“Ah, ik denk dat ik een rib heb gebroken toen we zo over elkaar heen tuimelden. Geeft niets, het is niet ernstig. Maar wat bedoel je te zeggen?”

“In ons onderzoek naar remote-viewing hebben we ontdekt dat wanneer zieners iets ‘zien’ dat ze niet begrijpen, ze dat op een manier uitleggen die zij wel begrijpen. Als een ziener bijvoorbeeld nog nooit een echte atoomreactor heeft gezien, kan dat ertoe leiden dat hij of zij een theepot omschrijft, omdat die twee dingen allebei warm zijn en ‘koken’. We noemen dat ‘analytische overlay’ en bedoelen daarmee het dynamische geestesproces om over iets onbekends een mentaal plaatje te plakken dat wel herkenbaar is.

Jij noemde dat ding een ‘object’, maar ik zag iets materialiseren, ik zag het ter plekke groeien van iets en ik denk ook dat ik het weer heb zien dematerialiseren nadat we op de grond waren gevallen.

Het is heel goed mogelijk dat bij het op afstand kijken naar een atoomreactor de beelden worden overschreven door beelden van een theepot of een oven, omdat dit beeldmateriaal voorradig is in het geheugen en het dichtst in de buurt komt van datgene dat psychisch wordt waargenomen. Als je de tijd zou nemen de ziener van tevoren beelden van atoomreactoren en hun werkomgeving te laten zien, is de kans groot dat bij een volgende keer wel sprake is van het juist interpreteren van de psychische indruk. Mensen doen dit in principe altijd.

Als ze iets tegen het lijf lopen dat ze niet begrijpen, hebben ze de neiging dat te vertalen in termen die zij wel begrijpen, en zo kan het dus gebeuren dat ze met een interpretatie komen die niets of weinig te maken heeft met datgene dat werd ervaren. Ze verwerken, met andere woorden, het onbekende beeld met behulp van hun, wat ik noem, realiteitsfilters en komen op de proppen met iets dat volledig past in hun actuele werkelijkheid – en eigenlijk helemaal niet lijkt op de realiteit die zij hebben ervaren.

Mensen maken altijd het plaatje voor zichzelf compleet en vullen daartoe onbekende of lege plekken in het beeld naar eigen goeddunken in. Het bewijs wordt geleverd door het feit dat wanneer vijf mensen iets wordt getoond dat buiten hun eigen werkelijkheid ligt, er eentje van hen zal zeggen dat hij niet weet wat het is, maar de andere vier zullen naar alle waarschijnlijkheid alle vier met een andere verklaring komen over wat ze hebben gezien.

Jij noemde dat ding een ‘object’, maar ik zag iets materialiseren, ik zag het ter plekke groeien van iets en ik denk ook dat ik het weer heb zien dematerialiseren nadat we op de grond waren gevallen. Misschien heeft het wel ergens op enig moment de status van een object gekregen, maar in mijn manier van denken was het meer een ‘verschijning’ dan een object – een veranderende verschijning als het daarop aankomt.

Het grootste gedeelte van het probleem wordt veroorzaakt door het feit dat het voor ons een realiteitsprobleem is. Dat ding bevindt zich buiten mijn perceptie, buiten mijn realiteitszin en als je dus steeds weer opnieuw aan mij zou vragen wat ik heb ervaren, dan denk ik net zoveel keren mijn toevlucht zal zoeken tot een andere ‘overlay’ totdat het beeld met jouw visie overeenkomt. Ik gebruikte bijvoorbeeld de term ’ruimteverplaatser’ of zoiets, maar ik zou echt niet weten wat dat zou zijn of waaruit dat zou moeten bestaan.”

Axel ging verzitten. “Anders gezegd”, zo begon hij, “iemand verwoordt iets wat hij heeft gezien uitsluitend in termen van wat hij reeds eerder heeft ervaren, is dat het?”

“Zo’n beetje, ja. In ieder geval tijdens experimenten van remote-viewing, helderziendheid en zelfs telepathie. Maar dit is in de psychologie een inmiddels bekend verschijnsel, hoor. Het enige is dat dit begrip in het algemeen niet breedschalig wordt toegepast op het menselijk begripsvermogen. Als dat wel het geval zou zijn, dan moest men al snel toegeven dat wat de meeste mensen geloven weleens niet veel meer zou kunnen zijn dan de verklaringen over wat zij dan in eerste instantie niet hebben begrepen.

Wat we niet begrijpen, leggen we juist uit aan de hand van datgene wat we wel begrijpen. Ik weet echt niet wat ik bij het meer zag en ik vind het moedig van mezelf om dat gewoon toe te geven.”

“OK, OK”, Axel trok een grimas. “Ik heb het in de gaten – het komt er gewoon op neer dat het probleem tweeledig is: wat het werkelijk is wat we hebben gezien en wat we gaan gebruiken om te beseffen wat het is.”

“Ja, zoiets”, giechelde ik. “Een leerling op het gebied van remote-viewing kan een boek bestuderen met afbeeldingen van alle bekende kernreactoren. Heb je toevallig ook een boek voor mij met afbeeldingen van alle bekende Ufo’s? Als je me van tevoren had verteld dat het een materialiserende opstijgende driehoek zou zijn, had ik misschien niet zo geschrokken  gereageerd en zou ik er beter naar hebben gekeken zonder dat mijn realiteitszin zo in de war werd gestuurd.”

Axelrod lachte en veranderde van onderwerp. “Nou, je hebt je punt gemaakt. Misschien was het wel een gevaarlijk risico om jou zo te confronteren met eh … die verschijning en dat hadden we eigenlijk niet zo moeten doen.”

Ik lachte nu ook en ontspande me. “Jezus, Axel, Ik wil het best nog een keertje doen, hoor! Wie zou dat niet willen?”

“Nou, dat is waarschijnlijk niet eens mogelijk. Ik zou je dit eigenlijk niet moeten vertellen, maar ons aandeel in de missie loopt binnenkort teneinde en zal door anderen worden voortgezet; veiligheidsvoorschriften en zo, je kent dat wel …”.

“En ik neem dan aan dat die ‘anderen’ zich niet zullen inlaten met helderzienden”, giechelde ik.

“Dat heb jij goed gezien. Volgende week krijg je een oproep om mee te doen aan een volledig psychisch onderzoek dat zogenaamd hetzelfde is als het periodieke medische onderzoek van je collega’s. We willen er zeker van zijn dat je geen psychische schade hebt overgehouden aan ons avontuur. Het onderzoek zal door gewone artsen worden uitgevoerd die niets van ons bestaan afweten. Denk je dat je een normale verklaring zal kunnen aanvoeren voor je beenwond?”

“Volgende week kan ik niet, we gaan naar Catalina Island om voor de Marine een onderwaterexperiment met remote-viewing te doen. Ik mankeer niks en de snee in mijn been is niet dermate groot dat ik dat nader aan iemand moet uitleggen.”

Ik zag Axelrod voor het laatst op het vliegveld van San Jose en daarmee eindigt dit verhaal over mijn ontmoetingen met hem en zijn ultrageheime missie. Ik kan er geen woord van bewijzen en om die reden was het ook nooit mijn bedoeling het op te schrijven.

***

De volgende delen hier weer snel op WantToKnow.

De vorige delen vind je allemaal op deze overzichtspagina.

Advertentie

7 thoughts on “9 + 10: ‘Mr. Axelrod’s reisplannen’ en: ‘Ik zie er een’..!

  1. Een heel spannend verhaal en bovendien heel geloofwaardig. Alles wat vreemd is als een wel leuk verhaal afdoen brengt het gevaar met zich mee dat mensen die meer weten hun mond maar houden en hopen op het beste voor de wereld. Het is juist nodig dat alle informatie zo veel mogelijk bij ieder mens terecht komt. Zo bestaat de kans dat men is voorbereid en zich niet het apezuur schrikt als uiteindelijk allemaal waar blijkt wat als flauwekul werd afgedaan.
    Het zou niet de eerste keer zijn. het gaat niet om angst zaaien maar om kennis vergaren.

    1. Vergeet ik nog toe te voegen. Dank voor deze waardevolle vertaling van een verhaal van een aardig mens.

  2. ik heb nooit het gevoel gehad dat een ufo gevaarlijk kan zijn,
    dat vind ik raar in dit verslag,
    hoe zit dat bij anderen ?
    welk gevoel hebben jullie hierbij: gevaarlijk, of niet ?

    1. Euhm nou Riekie to tell joe de trut (middelbare school humor tijdens engelse les) toen Billy Meier met Peyadische filmster en intergalactisch fotomodel en UFO pilote Semjase met haar glimmende scalair aangedreven torsie schotel Zwitserland kwam binnen drijven toen was alles okay totdat de schaduw culturen jaloezie vibraties van Billy en z’n secretaresses maîtressen meekregen en dat als een ionisch gat in het beschermende liefdesveld beschouwden, dat was een buitenkansje voor serious sirius zuigende body snatchers, die zuigen dat op met een 4d matrix rietje, daar leven ze van, die negatieve voertuigen waren vaak sigaar vormig. Als je eens even goed naar Semjase kijkt dan snap je wel dat het sterke benen zijn die de weelde van de interplanetaire zeer verleidelijke schoonheid kunnen dragen.

      http://spiritualiteit.paginablog.nl/spiritualiteit/SemjaseByDejansmall.jpg

      Quote;

      ” Hole Malibu

      Sean: Why did the Pleiadians from Taygeta dump Billy Meyer? Stop his contacts.

      Adrain: In a way, Billy Meier was an experiment. He represented the whole human race. However he would react, they considered that the whole reaction of the human race.

      But, the thing is, that his emotions started manifesting. His ego. The human passions that followed got in the way. The same thing happened to people around him. That’s even more trouble…. jealousy, fighting… Meier’s people saying ‘I’m going to be his secretary!’, ‘No I’m his secretary!’, ‘No I’m in charge!’ All that crap was going on.

      Sean: Did it do something to his aura?

      Adrain: Of course, this altered his auric field, all that negativity that was brought in, when all of the experiences and all the power was given to him, it brings out all these negativities from the inside to the outside. It penetrates the auric field, and you become very sensitive to negative energies from negative ETs, from negative astral beings, and from government people. This all at the same time, got right on top of him. And so everybody got out of whack. They lost theirlove and harmony. ”

      http://www.bibliotecapleyades.net/pleyades/esp_pleyades_12b.htm

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.