‘Penetration’ hoofdstuk 1 – 2


Ingo Swann, ‘Penetration’

* * *

VOORWOORD

.

Dit boekje is onderverdeeld in drie delen en in het eerste deel noem ik een heel lange lijst op van mensen die dingen hebben gezien of ervaren waarvan niet kan worden bewezen dat ze ook werkelijk gebeurd zijn.

Het tweede deel is meer gefundeerd; het komt neer op een kort overzicht van eerder gepubliceerde spectaculaire informatie en feiten over de Maan waaruit blijkt dat de Maan werkelijk een zeer interessante plek is.

Ik heb slechts kleine stukken geselecteerd uit die overvloed aan ongewone informatie over de Maan, maar voor diegenen die geïnteresseerd zijn in meer details verwijs ik graag naar de literatuurlijst.

Het derde deel begint met een presentatie van bepaalde sociale verschijnselen met betrekking tot de problemen van telepathie die feitelijk als zodanig kunnen worden aangewezen. Deze feiten vormen echter de achtergrond van een vreemd en verrassend scenario hoewel moet worden toegegeven dat het nogal speculatief van aard is. Vanuit verschillende kanten werd mij het advies gegeven dit boek niet te publiceren – op grond van het feit dat het de gelederen van de conventionele geloofsstructuur uitdaagt die zich bij voortduring en uitsluitend bezighouden met het onderuit halen van die ongelukkigen die dingen meemaken die niet te bewijzen zijn.

Ik heb jarenlang rekening gehouden met deze opportunistische zienswijze, maar met het ouder worden ben ik me meer en meer gaan interesseren voor het bijhouden en documenteren van mijn eigen actieve onderzoeken op het gebied van buitenzintuiglijke waarneming. Dat leverde in ieder geval minder stress voor mij op.

Zoals ik al eerder heb aangegeven, ben ik altijd al geïnteresseerd geweest in parapsychologische eigenschappen (Ppe’s) en in 1970 kreeg ik volop de gelegenheid die interesse verder uit te diepen. Iedereen die iets meer dan de normale dosis interesse aan de dag legt voor Ppe’s moet zich per definitie door de ellende van de sociale weerstand heen vechten die de authenticiteit van die verschijnselen methodisch ontkent en er een waas van twijfel omheen vlecht.

Die sociale weerstand is er overigens grotendeels in geslaagd alle georganiseerde benaderingen van Ppe’s om zeep te helpen. Dit succes is vooral merkbaar in de hogere  regionen van de samenleving, waar bitter weinig interesse bestaat voor wat lagere stervelingen allemaal meemaken op dit gebied.

Er dient een antwoord te worden gevonden op de vraag waarom toonaangevende maatschappelijke factoren voortdurende de neiging hebben het onweerlegbare bestaan van tenminste een aantal parapsychologische verschijnselen onderuit te halen. Bij een dergelijk onderzoek kan het bestaan en de gevolgde methodiek van de machinaties tegen Ppe’s makkelijk aan het licht worden gebracht, maar de redenen voor de tenuitvoerlegging van die machinaties blijven niettemin verborgen. De maatschappelijke weerstand tegen Ppe’s richt zich dientengevolge vooral op twee aspecten: het voorkomen van de ontwikkeling van Ppe’s en het geheimhouden van de redenen om dat te doen.

De invloed die de maan uitvoert op de rotatie van de Aarde om haar middenstand. (groene kruisje) Deze animatie is versterkt om het effect te laten zien.
De invloed die de maan uitvoert op de rotatie van de Aarde om haar middenstand. (groene kruisje) Deze animatie is versterkt om het effect te laten zien. En terwijl de Aarde om haar as draait, blijkt de Maan continue met dezelfde kant naar de Aarde te staan..

Een reden voor die algehele onderdrukking, waarvoor velen voor mij zich hebben opgeofferd, is dat effectieve vormen van Ppe’s een aantal sociale instituties zou ontregelen. Die instituties zouden zich “bedreigd” voelen door ontwikkelde vormen van, laten we zeggen, telepathie, die naderhand zouden kunnen worden toegepast voor het binnendringen van hun geheimen.

Daar zit wel een kern van waarheid in. Het is zeker waar dat vanwege deze waarheid bepaalde groeperingen op voet van oorlog leven met de mogelijkheden van de parapsychologische eigenschappen van het menselijk ras – omdat die groeperingen er bepaalde motieven op nahouden waarvan ze liever niet willen dat die met behulp van Ppe’s worden onthuld. Als dit werkelijk het geval is, dan is voor hen een uitgemaakte zaak alles dat over Ppe’s ter tafel komt onmiddellijk te ontkrachten. En zoiets is reeds aan de orde.

Het karakter van de situatie blijft gelijk en wordt min of meer gedefinieerd als: mensen leven in conflict met hun eigen parapsychologische mogelijkheden omdat met behulp van die eigenschappen geheimen kunnen worden binnengedrongen. Ikzelf heb lange tijd aangenomen dat dit tegelijkertijd het begin en het eind was van het verhaal met betrekking tot de systematische onderdrukking van de parapsychologische eigenschappen door de hogere maatschappelijke echelons in regeringen, wetenschappelijke en academische kringen en de media.

Hoe dan ook, de gebeurtenissen die in Deel één van dit boek worden beschreven begonnen in 1975. Het gaat hier om gebeurtenissen die ik niet kan bewijzen. Niettemin maakten ze een andere aspect zichtbaar dat kan worden geschaard onder de verfoeilijke onderdrukking van Ppe’s waaraan ik inmiddels al aardig gewend was geraakt.

Dit aspect maakte dat ik twee ongebruikelijke termen moest introduceren: ‘EARTHSIDE’ of wel AARDS en ‘SPACESIDE’ of wel BUITENAARDS. Deze termen verwijzen natuurlijk naar Aardse (menselijke) intelligentie en Ruimtelijke (buitenaardse) intelligentie.

De centrale hypothese van dit boek is, dat wanneer ontwikkelde parapsychologische eigenschappen een binnendringende bedreiging zouden vormen voor Aardse intelligenties, dan zouden ontwikkelde Aardse parapsychologische eigenschappen ook een bedreiging moeten vormen voor Buitenaardse intelligenties. Want in geval van telepathie (het lezen van gedachten), bijvoorbeeld, is het onderscheid tussen Aardse gedachten en Buitenaardse gedachten wel heel erg klein.

Het enige probleem dat zich hierbij voordoet is de vraag of Buitenaardsen wel of niet bestaan. Ik heb me voorgenomen me niet in de discussie over dit onderwerp te mengen, maar de lezer te wijzen op de overvloedige hoeveelheid literatuur hierover op het internet bijvoorbeeld (zie de literatuurlijst).

Het niet te bewijzen verhaal dat ik in dit boek heb gebruikt, dient te worden gezien als bewijs voor het bestaan van Buitenaardse intelligentie, maar omdat de lezer het verdient te weten waarom ik tot die conclusie ben gekomen, is er veel meer te vertellen over telepathie dan gewoonlijk in Aardse terminologie wordt weergegeven. Hierbij komt het denken voort uit de actuele ervaring en niet uit de analyse van pakketjes met informatie die in het werk van anderen te vinden is.
Andermans werk is zeker op de lange termijn uiteraard waardevol, en zij introduceren best wel wat authenticiteit die anders geheel en al verloren zou gaan. Uiteindelijk echter hoeft de authenticiteit van mijn eigen persoonlijke, onbewijsbare ervaring helemaal niet uitdrukkelijk in overweging te worden genomen – omdat de massa zich opstapelende informatie  toch ontegenzeggelijk zal leiden tot de totstandkoming van buitenaardse.

Een factor die in het hele boek niet aan de orde komt, is wel de grote hoeveelheid tijd (jaren eigenlijk) die het heeft gekost voor het bijeenbrengen van alle hier genoemde factoren. Ik ben gewoonlijk een denker maar ben soms nog behoorlijk traag van begrip.

Ingo Swann, de auteur van dit verhaal, als geschilderd zelfportret.
Ingo Swann, de auteur van dit verhaal, als geschilderd zelfportret.

Ik was oorspronkelijk van plan een uitvoerige discussie te plaatsen over de mogelijkheid dat telepathie mogelijk een of ander universeel ‘taalsysteem’ zou kunnen zijn dat werkzaam is in alle bewuste entiteiten. Ik behandel dit summier in Deel drie, maar heb voor de rest besloten die discussie in een ander werkstuk op te nemen – omdat het uitgebreidere informatie behoeft over de aard van energetische organismen.

Ik voel me echter wel geroepen een toelichting te geven op een aantal van de beweegredenen om na al die jaren toch met het boek door te gaan. Aan het eind van 1990 las ik een goedgedocumenteerd verslag over een grote Ufo die in de voormalige Sovjet-Unie was waargenomen. Het rapport maakte melding van de getuigenis van Generaal Igor Maltsev, chef-staf van de Luchtverdedigingstrijdkrachten en het werd in april 1990 gepubliceerd in Tabochaya Tribuna, nummer 19.

In het rapport werd de generaal geciteerd: “Ik ben geen expert op het gebied van Ufo’s en om die reden kan ik slechts afgaan op de informatie die ik heb en mijn eigen veronderstellingen. Volgens de verklaringen van de ooggetuigen had de Ufo een schotel met een diameter van 100 tot 200 meter. Aan de zijkanten zaten twee pulserende lichten …”.

In het artikel werd verder ingegaan op het feit dat Ufo’s bestuurde vliegende voorwerpen zijn en de suggestie tegenspreken dat het zou gaan om atmosferische verschijnselen. Als het waargenomen vliegtuig inderdaad 200 meter in diameter was, moet het iets groter geweest zijn dan een voetbalveld. Er waren daarnaast ook andere belangwekkende meldingen en van sommige was zelf videomateriaal voorhanden.

Dergelijke rapporten deden mij terugdenken aan mijn ervaringen in 1975, mat als resultaat dat ik besloot die op te schrijven voordat mijn geheugen me nog verder dan al het geval was in de steek zou laten. Tussen 1976 en 1990 kwam ik geleidelijk tot de conclusie dat ‘Earthsiders’ en ‘Spacesiders’ niet veel gemeen hadden, behalve dan de telepathie.

Uit alle verklaringen van mensen die contact hadden of ontvoerd werden blijkt dat de telepathische bekwaamheid bij de buitenaardsen bijzonder goed ontwikkeld was, terwijl die bij de Aardsen nauwelijks tot uiting kwam. Ik breidde mijn verslag over de gebeurtenissen uit met een aantal serieuze overwegingen betreffende telepathie, waarin ik theoretiseerde over het WAAROM van het achterblijven van de telepathische ontwikkeling bij de Aardsen.

Op enig moment liet ik het manuscript zien aan mijn literair agent, die het behoorlijk opwindend vond en dacht dat publicatie een regelrecht succes zou worden. Meer dan twintig uitgevers wezen het manuscript echter resoluut van de hand – ondanks het feit dat veel UFO-ET spul, variërend van complete nonsens tot sublieme fantasie, sowieso door anderen werd uitgegeven.
Die grootschalige resolute afwijzing blijft voor mij nog altijd een raadsel. Misschien heeft het wel te maken met een subtiele wijdvertakte controle door de media. Maar een andere mogelijke uitleg zou wel eens kunnen zijn dat dit waanzinnige verhaal met de verstrekkende overwegingen aangaande telepathie, voor sommigen mogelijk niet zo goed uitkwam.

In ieder geval liet ik dit boekproject uit frustratie en ergernis links liggen. En er gingen weer een paar jaar voorbij. Ongeveer in maart 1998 begonnen er op televisie en in diverse artikelen verhalen de ronde te doen over mogelijke buitenaardse aanwezigheid en aanverwante zaken, waaronder een serie getiteld “Verbazingwekkende Onverklaarbare Voorwerpen (?) Aangetroffen op de Mysterieuze Achterkant van de Maan.”

Daarna verscheen er op 14 mei 1998 een rapport op het internet dat geschreven was door David Derbyshire, waarin hij schreef dat er een dag eerder een Ufo boven Groot-Brittannië was waargenomen die met een snelheid van meer dan 40.000 km/uur door het luchtruim schoot. Dit vliegtuig werd zowel door de RAF als de Nederlandse Luchtmacht waargenomen.  Het ding was ‘driehoekig’ en ‘zo groot als een slagschip. Ongeveer 300 meter lang.’
Britse en Nederlandse onderscheppingseenheden werden er op afgestuurd. Het Grote Ding liet die echter verdwaasd achter – en ging ergens anders heen, God mag weten waar naartoe.

Zodoende zijn er recente authentieke rapportages over Ufo’s en ze schijnen klaarblijkelijk overal voor te komen en laten zich zelfs wereldwijd zien voor het oog van vele camcorders. Dat die Ufo’s worden bestuurd of beheerst door Buitenaardse intelligenties mag tegenwoordig wel gevoeglijk worden aangenomen. En als ze inmiddels een hoogtechnologische beheersing van het bewustzijn hebben bereikt dat overeenstemt met de hoge technologie van hun vliegtuigen, dan wed ik dat ze heel goed zijn in telepathie, zoals wij dat op Aarde noemen.
x

* * *

Hoofdstuk 1 – 2

Betrokkenheid bij Parapsychologisch Onderzoek
x

vertaling Jan Smith © 2010 / wanttoknow.nl/.be

X

De opeenvolgende vreemde gebeurtenissen die in dit boek worden beschreven vonden plaats vanwege mijn betrokkenheid bij parapsychologisch onderzoek, dat zo maar opeens begon in 1971 toen ik 37 jaar was. Maar wanneer iemand gaat meedoen aan parapsychologisch onderzoek, komt men tevens terecht in een zeer enge culturele onderstroom waar het wemelt van hoge stressfactoren, intriges, verwarde hoofdstromen, angst en vrees, interne oorlogvoering en tamelijk grote porties idioterie.

De originele cover van het oorspronkelijk boek uit de jaren 1990

Bovendien zijn parapsychologische proefkonijnen niet anders dan non-entiteiten waarvan verwacht wordt dat ze parapsychologische eigenschappen vertonen. Tegelijkertijd worden ze verondersteld niets te weten, niets te denken of te veronderstellen, omdat die eigenschappenschappen zijn voorbehouden aan de onderzoekers. Het onderwerp is zoiets als een computerchip die wordt getest om te kijken of ie doet wat men ervan verwacht. Wanneer de chip niet aan de verwachtingen voldoet, wordt hij op een grote hoop van anonieme en eveneens mislukte chips gegooid.

Om die reden is de levensduur van proefpersonen gewoonlijk niet langer dan ongeveer drie maanden waarin ze worden onderworpen aan allerlei zich eindeloos herhalende proeven. Een van de belangrijkste uitkomsten hiervan is in het algemeen bodemloze verveling.

Bij parapsychologisch onderzoek is het optreden van verveling dodelijk – omdat een verveelde chip in een toestand van apathie of volledige desinteresse terechtkomt, waarna de fijngevoelige elektronische bedrading begint te sputteren.

Het meeste wist ik al op voorhand, voornamelijk omdat parapsychologische verschijnselen mij altijd al ten diepste hadden geïnteresseerd en ik er al heel veel over had gelezen en bestudeerd. Ik verwachtte dus ook geenszins dat de mij toegewezen drie maanden op een of andere manier zouden uitlopen op een periode van negentien jaar.

De belangrijkste reden had niets te maken met de onheilspellende sferen van de parapsychologie zelf. Zoals nagenoeg niemand wist, waren de Amerikaanse inlichtingendiensten zich zorgen beginnen te maken over de mogelijke ontwikkeling van ‘de voordelen van psychologische oorlogvoering’ in nu voormalige Sovjet-Unie.

De inlichtingendiensten zijn belangrijke spelers en vanwege de Russische parapsychologische dreiging verlangden ze een bredere kijk op de parapsychologische mogelijkheden dan de gangbare wetenschap hen verschafte. Vanwege deze ongewone omstandigheden, raakte ik betrokken bij jarenlange werkzaamheden op dit gebied.

Dit hield overigens ook in dat ik in een wereld terechtkwam van dikwijls de meest idiote geheimhouding, van eindeloze veiligheidsonderzoeken die doortrokken waren van paranoia, een wereld van allerlei sf-zweverijen, militaire intriges die af en toe veel weg hadden van smerig stinkende afvoerputjes en een wereld waarin sprake was van behoorlijk zenuwachtige militaire en politieke kuiperij. Mijn deelname aan deze langdurige affaire werd gekenmerkt door vele ups en downs en honderden razend ingewikkelde situaties, omstandigheden en gebeurtenissen van allerlei aard – waarvan de verhalen in mijn boek slechts een soort, zij het de meest stressvolle en verbijsterende, belichten. Alvorens het verhaal te beginnen, is het noodzakelijk in het kort de aanleiding weer te geven.

Eind 1972 bekostigde de CIA een klein, experimenteel onderzoeksproject aan het Stanford Research Institute. Het project werd geleid door de natuurkundige Dr. H. E. Puthoff, en ik werd uitgenodigd om naar Californië af te reizen en eraan mee te doen. Het doel van het kleine project was het ontdekken van een buitenzintuiglijk waarneming (Extrasensory Perception – ESP) die naar believen kon worden herhaald. Dit soort experimenten werd in de parapsychologie node gemist, en ik had daar eerder al wat succes mee behaald.

Het project kreeg acht maanden de tijd iets dergelijks boven tafel te krijgen. En dus begon er weer een andere dagtaak waarbij honderden experimentele proeven betrokken waren. Deze voltrokken zich met de nodige ups en downs, maar hoofdzakelijk de downs van de walgelijke verveling waardoor het al vrij snel moeilijk was om aan weer een nieuwe dag vol proefnemingen te moeten beginnen.

In een poging aan de sleur van de dagelijkse verveling (die overigens ook een ‘flatline’ tot gevolg had op het gebied van de buitenzintuiglijke waarnemingen) te ontsnappen, stelde ik begin april 1973 voor dat we zo af en toe iets bijzonders, iets geks moesten doen, iets dat mogelijk wat meer leven in de brouwerij zou brengen, een beetje avontuurlijk misschien ook.

De planeet Jupiter was letterlijk nogal hoog gegrepen, maar NASA had eerder al Pioneer 10 en 11 gelanceerd om langs die planeet te vliegen en de informatie die door die twee satellieten zou worden teruggezonden moest technische analyses ondergaan. Pioneer 10 zou in september 1973 beginnen met het doorseinen van informatie.

Het enig werkelijke verschil tussen Jupiter als ‘doel’ en gewone doelobjecten in een aangrenzend vertrek, was de afstand tot de Aarde. Maar voor mij  bestond er nog een ander verschil. Het zou erg opwindend zijn om te proberen mijn buitenzintuiglijke waarneming uit te strekken tot die planeet, het zou neerkomen op een vorm van zien-op-afstand. Jupiter was verder verwijderd dan de aanpalende kamer – en het zou waarschijnlijk een enorme kik geven om door de interplanetaire ruimte te mogen ‘reizen’.

Er was nog een ander verschil. Onderzoekers die er nogal verkrampte conventionele ideeën op nahouden, worden in de regel behoorlijk zenuwachtig over baanbrekende experimenten. Mensen met conventionele denkwijzen nemen zichzelf vaak ontzettend serieus, waardoor er gewoonlijk weerstand ontstaat tegen onconventioneel onderzoek.

Paragnost Ingo Swann vertelt in dit verhaal over zijn ervaringen met remote viewing voor een VS-geheime-dienst.

De weerstand manifesteert zich in het algemeen altijd eerst in de vorm zwartmaken van het voorgestelde experiment (en alle betrokkenen) VOORDAT het plaatsvindt. Als dat het experiment dan al niet afschrikt, dan wordt het belachelijk gemaakt binnen de wetenschappelijke gemeenschap. En is een psychische reis naar Jupiter niet iets om je dood te lachen?

Mijn collega’s bij SRI waren er, om het zacht uit te drukken, niet op gebrand om te worden geridiculiseerd. Maar ik was een beetje somber geworden door het vooruitzicht opnieuw als gevolg van de verveling te mislukken. Dus had ik de keus uit te worden uitgelachen of verveling die overduidelijk een flatline zou veroorzaken op het gebied van de buitenzintuiglijke waarneming. De weerstand tegen de ‘proef met Jupiter’ werd overwonnen toen ik zei: ”Ik neem ontslag en jullie kunnen het resterende geldbedrag weer terugstorten op de rekeningen van de geldschieters.”

In ieder geval had ik het gevoel dat het interessant zou zijn te zien of de resultaten van het ‘remote-viewing’ die in april 1973 waren verzameld, op enigerlei wijze zouden overeenstemmen met de resultaten van het ruimteschip van NASA die later in september 1973 zouden worden bekendgemaakt. Het was een opwindend idee om psychisch naar Jupiter te reizen voordat het ruimtescheepjes van NASA dat zouden doen. Als dit ook maar enigszins zou werken, het was de kunst om de ander steeds een stap voor te blijven.

Het experiment vond plaats in privétijd, op een vrije zaterdag, maar het was desalniettemin omgeven door strenge protocollen. Om te beginnen mocht het ‘verylong-distance’ (VLD) experiment niet officieel worden genoemd. Maar de remote-viewing gegevens moesten wel op enigerlei wijze worden vastgelegd, zodat later kon worden vastgesteld dat het had plaatsgevonden voordat de NASA-voertuigjes bij de planeet zouden arriveren.

Zodoende werden bij de afronding van het experiment kopieën van de ruwe data wijd en zijd verspreid, aangeboden en geaccepteerd door veel gerespecteerde wetenschappers in de omgeving van Silicon Valley, inclusief twee mensen die werkzaam waren bij het Jet Propulsion Laboratorium. Natuurlijk vonden sommige wetenschappers het hele idee absurd en  te belachelijk voor woorden, maar dat waren er veel minder dan men aanvankelijk had verwacht.

Om het experiment een succes te laten zijn, moesten de ruwe gegevens van het remote-viewing indrukken bevatten van factoren die tot dan toe over de grote planeet onbekend waren – wilde men worden gevrijwaard van beschuldigingen van het oplezen van bestaand feitenmateriaal.

De ruwe gegevens zelf bestonden na afloop uit een bladzij vol met schetsen en twee en een halve pagina met verbale waarnemingen en deze data beschreven op de kop af 13 factoren die wetenschappelijk gezien VOLLEDIG onbekend waren op dat moment, totdat ze later werden bevestigd door analyse van de wetenschappelijke satellietgegevens.

In deze opsomming van die 13 factoren wordt tevens vermeld wanneer ieder van deze verschijnselen wetenschappelijk werd bevestigd:

1. Het bestaan van een waterstofmantel: bevestigd in september 1973, en nog eens in 1975.

2. Stormen, wind: bevestigd in 1976 op basis van afmetingen en onverwachte hevigheid.

3. Iets van een soort tornado: bevestigd in 1976 in de vorm van snel ronddraaiende cyclonen.

4. Hoge infrarood waarnemingen: bevestigd in 1974.

5. Temperatuurinversie: bevestigd in 1975.

6. Kleur en vorm van wolken: bevestigd in 1979.

7. Overheersende oranje kleur: bevestigd in 1979.

8. Water/ijskristallen in de atmosfeer: bevestigd in 1975.

9. Kristallen gordels reflecteren radiosondes: bevestigd in 1975.

10. Magnetische en elektromagnetische aurora (“regenbogen”): bevestigd in 1975.

11. Een planetaire ring binnen in de atmosfeer: bevestigd in 1979, niet alleen het bestaan ervan, maar tevens de aanwezigheid ervan binnen de gekristalliseerde atmosferische lagen.

12. Vloeibare samenstelling: bevestigd in 1973, 1976, als waterstof in vloeibare vorm.

13. Bergen en een vaste kern: nog steeds een vraagteken, maar sinds 1991 serieus in overweging genomen.

Zes van deze dertien factoren waren tegen 1975 wetenschappelijk onderbouwd, het jaar waarin de gebeurtenissen waarover in dit boek wordt verhaald een aanvang nemen.

Het is goed erop te wijzen dat de meeste wetenschappers het bestaan van de RING altijd min of meer afgewezen hebben, totdat deze in 1979 werd ontdekt, maar die wel werd geschetst in de ruwe informatie die in 1973 werd verkregen. En vrij recent is het bestaan van nog meer verfijnde ringen zelfs bevestigd..!

Voor mij was het Jupiter-experiment om een aantal redenen een geneesmiddel voor mijn experimentele neerslachtigheid. Ten eerste waren de trip naar en het mogen rondkijken op die planeet wonderbaarlijke ervaringen; waarvan de diep rakende esthetische invloed die het tot gevolg had me nog vele jaren veel inspiratie zal opleveren. Bovendien was het zo dat, toen de wetenschappelijke feiten en bewijzen in september 1973 begonnen binnen te komen, de stroom geruchten en belachelijke aantijgingen verstomde en overging in verhitte discussie. Veel notabelen kwamen plotseling lunchen op SRI om alle mogelijkheden door te nemen.

Maar om heel andere redenen was de CIA natuurlijk hogelijk geïnteresseerd in de mogelijkheden van psychologische spionage. Hoewel het planetaire experiment niet binnen het door het bedrijf gefinancierde tijdbestek was uitgevoerd (het was immers een vrije dag), had het er nu echter alle schijn van dat het SRI op het goede spoor zat.

1973, de Pioneer 10 gaat in een zg. ‘fly-by’ langs Jupiter en zou de eerste ‘live’-beelden van Jupiter -vanuit de ruimte- doorseinen naar Aarde.

De Jupiter Proef kreeg ook ruime media-aandacht, hoewel dat natuurlijk niet het geval was in wetenschappelijke tijdschriften. Maar ja, er zijn nu eenmaal allerlei mensen die de wetenschap op dezelfde manier bezien als de manier waarop de wetenschap altijd heeft aangekeken tegen de parapsychologie.

Ik wil nu nog een aspect vermelden dat anders verloren dreigt te gaan – en zo mogelijk tot groot genoegen verloren zal gaan met het oog op veel psychische beweringen en  aanmatigingen. Het heeft te maken met wat wel wordt omschreven als positieve terugkoppelingslussen.

Het is niet zo moeilijk te begrijpen waaruit deze bestaan. Een woord dekt de hele lading: Bevestiging – in een of andere vorm. Een ‘paranormaal begaafd mens’ roept iets, waarna er moet worden uitgekeken naar enig tastbaar bewijs dat de real-time feiten van wat er werd gezegd ook onderbouwt.

Hoe vergezocht het Jupiter-experiment ook was, het was gebaseerd en ontworpen TEGEN de verwachte terugkoppelingslussen in. De terugkoppeling kwam in de vorm informatie die door  de NASA satellieten die langs de planeet vlogen naar de Aarde werd teruggezonden.

Zoals later bleek, bevond zich onder hen die uitermate geïnteresseerd waren in de mogelijkheden van interplanetaire spionage een groep die zo clandestien was dat die nauwelijks nog kon worden gekarakteriseerd als een diep duister project, maar meer nog als een volledig aan het blote oog onttrokken project. Het was deze groep, of hoe het ook genoemd wil worden, waarmee ik aan het begin van 1975 in aanraking kwam.

Hoofdstuk 2

x

ONTMOETING MET DE GRIEZELIGSTE GRIEZELS

x

Eind februari 9175, twee jaar na de Jupiterproef, kreeg ik een telefoontje van een zekere hooggeplaatste functionaris in Washington DC. Ik had de man al eerder tijdens een aantal sociale gelegenheden ontmoet en verschillende aangename gesprekken gevoerd omdat hij erg geïnteresseerd bleek in het onderzoek van het ‘paranormale’. Ik bewonderde en respecteerde hem. Hij was openhartig over zijn ongewone interesses en wist zelfs de moed op te brengen tegen de stroom in te zwemmen van de machtige rivier genaamd ‘gangbare opinie’, hetgeen schadelijk kon zijn voor iedere hoog gevestigde reputatie in het web van Washington.

Maar tijdens dit telefoongesprek was de man ietwat minder openhartig, zoals uit de volgende conversatie die mij nog helder voor de geest staat, mag blijken.

“Ene Mr. Axelrod zal met jou bellen,” zei hij. “Als je ertoe in staat bent, doe dan gewoon wat hij je vraagt en stel zelf geen vragen”.

Na een korte pauze vroeg ik: “En wie is die meneer Axelrod dan wel?”

Nu volgde er aan de andere kant van de lijn een pauze.Toen zei hij:

“Ik kan je dat niet zeggen omdat ik het zelf ook niet weet. Maar het is belangrijk, HEEL belangrijk, erg DRINGEND dat je akkoord gaat met wat hij je vraagt. Voor de rest kan ik je niets vertellen, dus vraag me er ook niet naar, doe alleen wat hij vraagt. En, wat er ook gebeurt, dit telefoongesprek heeft nooit plaatsgevonden. Ik moet je in alle oprechtheid verzoeken in dit verband op geen enkele wijze ooit nog naar mij te verwijzen”.
Daarna veinsde mijn vriend nog een beetje interesse in mijn welbevinden en toen hing hij snel op.

Hoewel onze voorgaande contacten altijd nogal vrolijk verliepen, kwam hij nu toch behoorlijk gespannen op mij over. Daarentegen was dit soort dingen niet helemaal ongewoon voor me in mijn nieuwe baan als parapsychologisch onderzoeker. Velen hadden mij reeds benaderd, sommigen anoniem, anderen onder een gefingeerde naam – zoals politiefunctionarissen en detectives die nadere informatie vroegen met betrekking tot moeilijk oplosbare misdaadzaken, of een paar wetenschappers die in hun onderzoek waren vastgelopen, zelfs een directeur van een beroemd museum die een waardevol schilderij verkeerd had ingeschat.

Wanhopige mensen doen wanhopige dingen – zoals het consulteren van paranormaal begaafde mensen – er bestaan zelf uitgebreide verslagen over enkele presidenten die zich met zieners hebben ingelaten. Op deze ietwat minder open manier begon een hele reeks van verbijsterende zaken die me aan de ene kant enorm opwonden, maar me uiteindelijk deden RILLEN alsof ik mezelf plotseling bevond tussen twee realiteiten in die geen van beide helemaal echt leken.

Ondanks de aangekondigde haast belde de mysterieuze meneer Axelrod pas vier weken later op. Dat was trouwens om een uur of drie in de ochtend. Het telefoonsignaal rukte me ruw uit een heerlijk diepe slaap met als gevolg dat ik me tijdens de eerste momenten van het gesprek nauwelijks wist te herinneren wie hij ook alweer was. Nadat dat was opgehelderd, vroeg hij me: “Kunt u vanmiddag om twaalf uur in Washington zijn? Ik weet dat het wel heel erg kort dag is, maar we zouden het fijn vinden als u daartoe in staat bent. We vergoeden al uw tijd en gemaakte onkosten”.

De grote hal van het Smithsonian museum in Washington DC

Ik stond eigenlijk op het punt hem te vragen waarom ik in hemelsnaam naar Washington zou moeten komen, toen ik me herinnerde dat mijn vriend me op het hart had gedrukt vooral geen tegenvragen te stellen. Dus ik vertelde mijn gesprekspartner dat ik wel een of andere vlucht zou boeken.

“Goed zo,” zei Mr. Axelrod, “maar we kunnen u niet op het vliegveld ontmoeten. Kent u het Museum voor Natuurlijke Historie aan het Smithsonian?” Ik antwoordde bevestigend. “Goed”, zei hij, “gaat u daar direct na aankomst naartoe en ga naast de olifant in de centrale hal staan. Zorg dat u er om stipt twaalf uur staat. Er wordt dan contact met u opgenomen. Doet u precies wat uw contactpersoon zegt. Mijn enige eis is, dat u aan niemand vertelt waar u naartoe gaat. Als u het gevoel hebt dat u dat niet wilt of kunt, zeg het me dan nu, dan vergeten we dit hele geval”.

Ik lag zwijgend in mijn bed. “Gaat u hiermee akkoord?” vroeg hij. “Ja, ja, ik denk het wel.”

Ik kon echter niet nalaten hem een vraag te stellen, omdat hij voor mij nogal voor de hand lag. “Hoe kan ik de persoon herkennen die contact met me opneemt?”

“Maak u geen zorgen. Wij weten hoe u eruit ziet”. En meneer Axelrod verbrak zonder zelfs maar gedag te zeggen de verbinding. Ik stond op, maakte een kop koffie, rookte een paar sigaren en luisterde ondertussen gedachteloos naar het vroege verkeerslawaai (in New York is het altijd rumoerig).
Ik begon het allemaal niet meer zo leuk te vinden en ware het niet voor mijn gewaardeerde hooggeplaatste kennis in Washington, dan was ik er vrij zeker van dat ik zou besluiten de hele affaire af te blazen omdat er teveel vraagtekens waren.

Men moet weten dat de wereld in 1975 nog stevig in de greep was van de Koude Oorlog. Mijn collega’s en ik aan het Stanford Research Instituut hadden er al vaker op gezinspeeld dat de Russische KGB natuurlijk heel geïnteresseerd zou zijn in wat wij aan het doen waren. En tijdens  dramatische momenten werd er af en toe zelfs over gespeculeerd dat een van ons best wel eens zou kunnen worden ontvoerd door die roemruchte, maar zeer bijdehante organisatie.

Kennismaking met de ‘tweeling’..
Nou ja, ik besloot dat als ik dan toch naar Washington zou gaan, ik tenminste nog de mogelijkheid kreeg om de fraaie collectie mineralen en kristallen te bekijken die in het Natuurhistorisch Museum was ondergebracht. Al jaren geleden was ik daardoor in de ban geraakt en ik verheugde me op het weerzien.

In het schrale licht van een flets ochtendzonnetje begaf ik me naar het vliegveld LaGuardia en boekte een 50 minuten durende vlucht met de Cityhopper. Ik kwam ruimschoots op tijd aan, het museum was nog niet eens geopend. In de aankomsthal dronk ik een kop koffie, at een broodje en rookte nog een paar sigaren. Onnodig te zeggen dat toen ik even later stond te kijken naar de reusachtige kristallen en vuistgrote edelstenen, dat mijn gedachten ergens anders waren. Eigenlijk liep ik de hele tijd te transpireren. Zenuwachtig? Ongerust? Een vreemd voorgevoel, misschien?

Tenslotte begaf ik naar de tussenverdieping die rond de grote centrale hal liep. Zo omzichtig mogelijk (voor mijn doen, dan) overzag ik de benedenverdieping – met in het midden de pontificale en majestueuze opgezette olifant.

“Mr. Swann?” Ik draaide me om en kreeg onmiddellijk een kaartje in mijn handen gedrukt waarop te lezen stond: “Zeg helemaal niets en stel geen vragen. Dit is voor onze veiligheid en voor de uwe.”

Aannemende dat ik me net als alle andere toeristen moest gedragen, stond ik dus om twaalf uur voor het reusachtige beest net te doen of ik er hevig in geïnteresseerd was. Achter me klonk een stem. “Mr. Swann?” Ik draaide me om en kreeg onmiddellijk een kaartje in mijn handen gedrukt waarop te lezen stond: “Zeg helemaal niets en stel geen vragen. Dit is voor onze veiligheid en voor de uwe.”

Als ik al niet overtuigd was geraakt dat ik in een verdacht zaakje verzeild was geraakt, dan was ik dat nu in ieder geval wel. Want de kerel die me het kaartje had aangereikt staarde me nu met zijn groene ogen aan op een manier waaruit ik kon opmaken dat hij bloedserieus was. Ik durfde geen woord uit te brengen. Hij was jong en zag eruit alsof hij een fotomodel was in een reclamefilmpje voor een marine-opleidingskamp – dat wil zeggen, vrij lang, blank, ernstig en zelfgenoegzaam in staat iemand in alle rust om zeep te helpen. Maar wat nog verbazingwekkender was, was het feit dat ze met z’n TWEEËN waren, en zoveel op elkaar leken dat ik dacht met een tweeling van doen te hebben. Tientallen museumbezoekers liepen om ons heen.

Nadat ik het kaartje had gelezen, knipperde ik met mijn ogen. De eerste kerel haalde een foto van mij tevoorschijn en vergeleek mijn gezicht aandachtig met dat op de afbeelding. Toen pakte hij mijn hand alsof hij hem wilde schudden en vergeleek de tattoeage erop met een andere kiekje dat hij uit zijn zak tevoorschijn haalde – die tattoo had ik me in 1962 in een dronken bui laten aanpraten.

Daarna knikte hij naar zijn dubbelganger, die met professionele blikken de omgeving in de gaten had staan houden. Die tweelingbroer kwam naar me toe gelopen en voerde dezelfde identificatieprocedure nogmaals uit. Toen plaatsen zij hun initialen op een of andere checklist in een klein notitieboekje. Dit alles voltrok zich in slechts enkele momenten en geen van de andere toeschouwers van de olifant had ook maar het minste vermoeden wat er aan de hand was. De eerste tweelinghelft knikte met zijn hoofd in de richting van de hoofduitgang van het museum.

Ik liep achter hem aan met zijn broer direct in mijn voetspoor. We liepen in ganzenpas naar de stoeprand en stapten in een onopvallende auto die daar op een verboden parkeerplaats had staan wachten. De chauffeur was een vrouw die, zo leek het, duidelijk niet naar mij keek. Het was een grote blauwe auto, van buiten een beetje vies, maar met een smetteloos interieur. Ik zat op de achterbank met aan elke kant een tweelinghelft. Een van hen trok opnieuw een kaartje tevoorschijn waarop ik las: “Zeg alstublieft niets. U mag roken, als u dat wenst. “ En dat deed ik dan ook. Ik had inmiddels grote natte plekken onder mijn oksels.

Naar het schijnt zaten wij in de middelste auto tussen twee andere die voortdurend bij ons bleven terwijl we door de drukke straten van de stad reden. Eenmaal buiten de stad, liet de tweeling me weer een ander kaartje lezen:  “Vat dit alstublieft niet persoonlijk op, maar we moeten u en uw kleding onderzoeken op mogelijke wapens of afluisterapparatuur.” Wat kon ik doen? Ze begonnen alles te inspecteren, maakten zelfs de rits van mijn broek los om een korte blik in mijn onderbroek te werpen. En opnieuw vinkten ze daarna beiden hun checklist af.

Ik was nog nooit zo behandeld, was zelfs nog nooit gefouilleerd geweest en moest de neiging onderdrukken uiting te geven aan mijn verbolgenheid. Ik durfde me echter zelfs niet te bewegen of mijn mond open te doen, behalve voor het lurken aan mijn zoveelste sigaar. Op dat moment had ik geen idee waar we reden, maar we leken volgens mij op weg te zijn naar het hoofdkwartier van de CIA dat achter dicht opeenstaande bomen verscholen lag. Ik dacht in ieder geval dat daar ons reisdoel zou liggen, maar we reden er langs en vermeerderden vaart.

Toen verscheen er een nieuw kaartje onder mijn neus: “We brengen U naar een helikopterhaven voor verder transport. “Voordat we daar aankomen, krijgt u een kap over het hoofd. Op de eindbestemming wordt die weer afgenomen. Voor het geval u trek krijgt, zijn er sandwiches voorhanden.”

Op dat moment dacht ik alleen maar aan hel en verdommenis. Toch had ik vreemd genoeg eigenlijk wel honger, zelfs mijn maag was van streek. Ik at iets. Hoewel mijn handen nu enigszins trilden, deed de tweeling net alsof ze dat niet merkten. Ik concludeerde dat ik echt ontvoerd werd of dat er in ieder geval iets heel eigenaardigs ging gebeuren.

Ongeveer twintig minuten later, haalde een van de agenten de beloofde kap tevoorschijn en bracht ik het volgende gedeelte van mijn reis in totale duisternis door. Niet lang erna, kwam de auto tot stilstand. Men hielp mij bij het uitstappen en pakte de tweeling mij stevig onder mijn beide armen vast om me even later in een gereedstaande helikopter te helpen. We stegen op zodra we onze veiligheidsgordels hadden vastgeklikt. Dit deel van de trip duurde zo’n dertig minuten, denk ik, maar zeker weten doe ik dat niet.

Plotseling kwamen we met een bonk neer op de landingsplaats. Ik werd uit de vliegmachine geholpen en moest een behoorlijke afstand lopen. Even later hoorde ik een deur achter me dichtschuiven en gingen we naar beneden. Afgaande op het gevoel in mijn maag, wist ik dat we in een lift stonden en toen die na geruime tijd tot stilstand kwam, ging er kennelijk een deur open en liepen we eruit.

Het volgende moment werd ik door de tweeling verschillende keren rondgedraaid. Na de tiende keer, liepen we stevig gearmd verder, op enig moment langs een helling naar beneden.

Kort daarna werd ik in een stoel neergezet en hoorde ik voor het eerst in deze bedreigende gang van zaken een stem die mij toesprak: “Ik ga nu de hoofdkap verwijderen, meneer Swann, en wil u bedanken voor het feit dat u hierheen bent gekomen en onze procedures hebt gevolgd”.

Ik was, op zijn zachtst gezegd, doodsbang en dat wil ik best toegeven.

-wordt vervolgd; volgende hoofdstukken in een paar dagen-

– exclusief op WantToKnow –

Advertentie

8 thoughts on “‘Penetration’ hoofdstuk 1 – 2

  1. Jaren na dato… Maar toch niet onbelangrijk: de vertaling van de titel van hoofdstuk twee ‘encountering the spookiest spooks’ in DE GRIEZELIGSTE GRIEZELS is m.i. een ongelukkige.

    Een ‘spook’ is gewoon een geheim agent en dat is wat die mensen dan ook waren. ‘Spookiest’ verwijst naar ‘meest schimmig’. In dit verband gaat het om geheim agenten werkzaam voor een dienst die niemand kent i.t.t. de FBI etc.

    In dit verband is ‘Een treffen’ of ‘de ontmoeting met de schimmigste geheimagenten’ wellicht beter op zijn plaats.

    Well, haarkloverij c.q. verschil in vertaalkeuze. No worries – nogmaals, toch jaren na dato…

    Grtz

    1. Dat kan. Alhoewel je niet direct moet “denken” dat het te sterk voor woorden lijkt… je weet nog niet half wat er zich wel niet allemaal af heeft gespeeld op deze wereld, en nog steeds.. maar het wordt minder. De tijd nadert nu.

Geef een reactie