Volg ons op Facebook Volg ons op Twitter Volg ons via onze RSS Feed
WantToKnow.nl

Geneeskunde: Van kunst naar kunde en geknutsel..! (deel 1)

Ellorene Westerhout is arts en schrijft in een serie van 2 artikelen hier op WantToKnow.nl/.be haar gevoelens op rondom de huidige crisis in de gezondheidszorg. Waar is de menselijke factor binnen gebleven, waarom lijkt die een steeds kleinere rol te krijgen.. Er is grote verdeeldheid onder de bevolking inzake de gezondheidszorg, en dat is in haar ogen een steek in het hart van een gezonde gezondheidszorg, waar we allemáál baat bij hebben.

Managers zijn het proces van gezondheidszorg aan het overnemen, alsof de patient één van de wieltjes is in het/hun grote economische raderwerk, in plaats van dat alle aandacht naar deze patient zou dienen te gaan. Dat de patient de hoofdrol dient te spelen.

Een prachtige beschouwing die de vinger op de zere plek legt; de geneeskunst, ooit een van de verworvenheden van onze voortschrijdende welvaart, is verworden tot geneeskunde. Kennis met het hoofd kan een patient niet beter maken. De verbinding met het hart des te meer..! Het woord is aan Ellorene.
XX

* * * * * * *

X

Geneeskunde: Van kunst naar kunde en geknutsel..

Ellorene Westerhout © maart 2010

Inleiding

Dr. Ellorene Westerhout

De directe aanleiding om dit artikel te schrijven is het ‘gedoe’ rond de vaccinaties tegen de Mexicaanse griep in het najaar van 2009. Van officiële zijde vond ik de berichtgeving onvolledig en onjuist. De reactie op de angst en kritiek vanuit de bevolking vond ik inadequaat.

Binnen de beroepsgroep, en ook bij andere disciplines in de gezondheidszorg, bleek verdeeldheid te bestaan over de noodzaak en het nut van de vaccinatie. De morele beschuldigingen vanuit de medische autoriteiten ten aanzien van deze kritische collega’s vond ik niet erg kies.

Het gebrek aan een zelfkritische opstelling en de rol van de farmaceutische industrie herkende ik uit mijn medische tijd. Via internet kwam het nu in het openbare domein, voorafgegaan door de ophef rond de HPV-vaccinatie (baarmoederhalskanker).
In hun overtuiging van het eigen gelijk, vond ik het totale optreden van de medische autoriteiten weinig professioneel. De aanval had ze kennelijk overvallen. Of dit nu een totale onttroning van de reguliere geneeskunde tot gevolg heeft, is op dit moment moeilijk in te schatten, maar dat er aan gezag is ingeboet lijkt me wel waarschijnlijk.

Met gemengde gevoelens heb ik de vertoning gevolgd. Boos over de halve waarheden. Bezorgd over het beroerde management. Bezorgd voor de bevolking. Medici zijn mensen, mensen zijn feilbaar en van fouten kan je leren. Maar mijn vertrouwen krijgt op dit punt te weinig aanmoediging om groot te zijn.

De geneeskunde, 150 jaar jong, heeft zich mogen vestigen tot een maatschappelijke orde en heeft de verantwoordelijkheid gekregen voor de volksgezondheid. Op mijn netvlies zie ik echter een profilering op een smalle basis, het 19e eeuws wereldbeeld, met als gevolg een technologisch hoogontwikkelde, farmaceutisch commerciële en onbetaalbare gezondheidszorg. Allerlei ontwikkelingen op maatschappelijk gebied en veranderingen in het collectief bewustzijn heeft de geneeskunde links laten liggen.

Wat de geneeskunde vermag te kunnen is niet zonder betekenis, maar wel beperkt en het is niet een veilige haven voor iedereen. Maar de medische wetenschap, als instituut, lijkt het vermogen tot introspectie niet ontwikkeld te hebben en probeert vanuit zijn ivoren toren de regie in handen te houden.

Ik ben bezorgd over de situatie, ik denk het te begrijpen, ik weet dat dingen anders kunnen en ik vind dat er iets grondig moet veranderen. Ik heb mijn gezichtsveld maar eens opgeschreven voor wie het lezen wil.

XX

GENEESKUNDE: VAN KUNST NAAR KUNDE EN GEKNUTSEL

X

De gevestigde geneeskunde is misschien wel toe aan een fundamentele herziening van de eigen uitgangspunten. In een reeks artikelen wil ik een beeld schetsen van de geneeskunde in zijn evolutie van kunst naar een strak gemodelleerde wetenschap (kunde) en technisch kunnen (geknutsel). In diverse hoofdstukken zal ik enkele onderwerpen aansnijden:

  • in de ban van infectieziekten
  • medicijnen en manipulatie
  • arts en ambacht
  • een 19e eeuws wetenschapsmodel
  • van bouwwerk tot bolwerk
  • alternatieven in de aanbieding

Van kunst naar kunde en geknutsel

Tot diep in de 19e eeuw werd de geneeskunde als een kunst gezien. De geneeskunst was niet een maatschappelijk instituut zoals nu. Het was een zootje ongeregeld. Onder de beoefening van de geneeskunst trof je alles wat onder de zon leefde. Mensen die oprecht, zorgvuldig en kritisch de kunst van het genezen beoefenden. Mensen die met buitenissige ideeën experimenteerden en verrassende resultaten boekten, maar even oprecht en zorgvuldig waren. Mensen die geloofden in hun eigen methoden en middelen, maar twijfelachtige resultaten bereikten: kwakzalvers. En er waren mensen die misbruik maakten van de onwetendheid van de bevolking: oplichters.

De liefde waarmee Leonardo da Vinci zijn anatomische tekeningen maakte, zou een voorbeeld voor artsen in opleiding moeten zijn.

De kennis was beperkt en de kundigheid van de arts hing af van intelligentie, inventiviteit en een portie lef. Waarlijk genezen is ook een kunst, alleen al vanwege het feit dat we in wezen niet begrijpen hoe dit in zijn werk gaat.

In de 2e helft van de 19e eeuw zou in deze situatie verandering komen. Het kaf moest van het koren worden gescheiden. Dit was de opdracht voor de regering Thorbecke die in 1865 de wet op de uitoefening van de geneeskunst afleverde. De geneeskunst kreeg een wetenschappelijke status en alleen diegenen die waren afgestudeerd aan de universiteit mochten de geneeskunst beoefenen. De nieuwe status hield in dat de geneeskunde het natuurwetenschappelijk model als uitgangspunt nam.
Dit was afkomstig uit de natuurkunde dat in deze periode het hoogst in aanzien stond. Zo begon de geneeskunst aan zijn opmars naar een medische wetenschap. En hoewel het nog steeds een kunst is om patiënten te genezen, schrijft de medische wetenschap dit tegenwoordig liever toe aan kundigheid. We spreken tegenwoordig dan ook over geneeskunde of medische wetenschap.

Infectieziekten, farmacie en technologie zijn drie terreinen waarop het huidig medisch model goed uit de verf komt. De bestrijding van infectieziekten leent zich goed voor het natuurwetenschappelijk model, omdat hier sprake is van een aantoonbare, enkelvoudige ziekteveroorzaker die uit te schakelen is. Met enkelvoudig bedoel ik dat er een één op één relatie is tussen de ziekteverwekker en het ziektebeeld. Een voorbeeld: de anthrax-bacterie veroorzaakt anthrax (miltvuur), het variola-virus veroorzaakt variola (pokken) en het influenza-virus veroorzaakt influenza (griep). In het hoofdstuk ‘In de ban van Infectieziekten’ kun je hier meer over lezen.

De farmacie past ook goed in het medisch model. Het is hier niet de natuurkunde, maar de scheikunde die het gezicht bepaalt. Evenals natuurkunde is scheikunde een natuurwetenschap.

Waar vroeger de arts zijn eigen apotheker was, is dit onderdeel binnen het medisch model tot farmacologie ontwikkeld. Het werd een specialisme op zichzelf en moest worden uitbesteed aan de apotheker of farmaceut. Tenslotte is het uitgegroeid tot een bedrijfstak: de farmacie. In het hoofdstuk ‘Medicijnen en Manipulatie’ ga ik hier dieper op in.

Technische apparatuur is prominent aanwezig in de gezondheidszorg. Techniek en natuurkunde zijn nauw met elkaar verweven. Hoewel techniek een ambacht is, heeft technologie een universitaire status doordat het op systematische wijze onderzoek doet naar technische toepassingen. Technisch vakkundige artsen (bv. chirurgen) zijn mensen die goed kunnen knutselen en dat bedoel ik niet sarcastisch. In het hoofdstuk “Artsen Ambacht” schrijf ik hier uitgebreider over.

Net als in deze inleiding verwijs ik in de verschillende hoofdstukken regelmatig naar ontwikkelingen in de wetenschap door de tijd heen. Ik denk dat het natuurwetenschappelijk model veel verklaart over de handel en wandel van de reguliere geneeskunde. Dit wordt het laatste hoofdstuk genaamd ‘Een 19e eeuws Wetenschapsmodel’ om hiermee te laten zien dat de medische wetenschap een verouderd denk- en werkmodel hanteert. Een grote en groeiende groep patiënten komt tegenwoordig in de knel of van een koude kermis thuis bij de gezondheidszorg, omdat de geneeskunde de klachten niet kan plaatsen.

In een kort hoofdstuk “Van Bouwwerk tot Bolwerk” beschrijf ik de geneeskunde en medische wetenschap als gevestigd instituut in de maatschappij: de gezondheidszorg. Het voordeel is dat de medische zorg voor de volksgezondheid goed georganiseerd is. Het nadeel is dat het een stug systeem is geworden dat niet overweg kan met verandering en vernieuwing. Er is wel degelijk effectieve geneeskundige zorg beschikbaar voor deze groep patiënten, maar dan in de alternatieve sector. Het hoofdstuk “Alternatieven in de Aanbieding” is een beknopt overzicht van het geneeskundig aanbod op díe gebieden van gezondheid en ziekte waar de reguliere geneeskunde tegen haar beperkingen aanloopt.

In de ban van infectieziekten

De pestmeester verzorgde de pestlijders. Met een lange jas en een papagaaienbek-masker, dat was gevuld met kruiden (o.a. jeneverbessen en het boerenwormkruid) om de kwade pestdampen tegen te gaan.

Er is binnen de geneeskunde een fundamentele neiging om ziekten te bestempelen als infectieziekte en op zoek te gaan naar een verwekker, tegenwoordig meestal een virus. Zodra men denkt een virus op het spoor te zijn, bloeit de geneeskunde op in het onderzoek naar bewijs, besmetting en bestrijding. infectieziekte als basis voor de geneeskundige benadering De infectieziekte is het terrein van ziekten waarop de geneeskunde het meest in zijn element kan zijn en zich van zijn beste kant kan laten zien. De benadering is simpel en kan op een aantoonbaar wetenschappelijke wijze uitgevoerd worden.

Het wetenschappelijke karakter is belangrijk en zal ik toelichten in het hoofdstuk “een 19e eeuws wetenschapsmodel”. De benadering is gestoeld op het gegeven dat een infectieziekte wordt veroorzaakt door een ziekteverwekker. Dit kan een bacterie zijn, of een ander micro-organisme. Tegenwoordig is het vooral een virus. Een micro-organisme is een levend wezen, hoewel het virus niet aan onze maatstaven voldoet van ‘levend’. Het bestaan van micro-organismen en ook het virus kan je bewijzen.

En als je proefdieren met de ziekteverwekker inent, kan je het zelfde ziektebeeld keer op keer oproepen (een andere vorm van bewijsvoering). Zodra de geneeskunde de ziekteverwekker heeft opgespoord kan het worden bestreden met een passend vernietigingsmiddel. De patiënt krijgt een antibioticum of antiviraal middel. De omgeving wordt aangepakt met een verdelgingsmiddel, indien mogelijk. Een hele bevolking wordt ertegen beschermd met een inenting, indien noodzakelijk.

Deze aanpak staat model voor de benadering van alle andere ziekten. Eerst bepaal je met welk ziektebeeld je te doen hebt: de diagnose. Vervolgens toon je de ziekmakende factoren aan: het bewijs. Dan verwijder je de ziektefactoren: de behandeling. Tenslotte verwachten we van de patiënt dat hij gaat herstellen: de genezing. Dit is het raamwerk waarbinnen de geneeskunde denkt en handelt.

Hygiëne, vaccinatie en antibiotica

In de 19e en begin 20e eeuw bestond de bestrijding van infectieziekten voornamelijk uit het verbeteren van de algemene hygiëne. We moeten ons realiseren dat men toen nog niet beschikte over antibiotica. Een pakket aan maatregelen, zoals de aanleg van riolering en waterleiding, de wet op de lijkbezorging en voorlichting over persoonlijke hygiëne hebben de belangrijkste bijdrage geleverd in het terugdringen van infectieziekten. Dit geldt ook voor de afname van kinderziekten.

Het principe van vaccineren was begin 19e eeuw uitgevonden. De ontwikkeling hiervan nam echter zoveel tijd in beslag, dat het eerste grootschalige vaccinatieprogramma in Nederland pas in het begin van de jaren 50 van de 20e eeuw van start ging. Pokken, difterie, kinkhoest en tetanus waren de eerste ziekten waartegen werd ingeënt, maar ze waren al flink afgenomen door de hygiëne-maatregelen. De vaccinatie bood overigens niet 100% bescherming. Een aantal kinderen kreeg ondanks of dankzij de inenting alsnog de ziekte en over eventuele complicaties is nauwelijks iets bekend. De productietechniek van het vaccin zou in de toekomst wel verbeteren en dan zou het vaccin probleemloos zijn werk doen.

Antibiotica kwamen pas beschikbaar in de jaren 40-50 van de 20e eeuw. Vanaf die tijd kon de geneeskunde zijn heerschappij op het gebied van infectieziekten pas echt gaan waarmaken. In de jaren 50 en 60 van de 20e eeuw was dit hèt grote tovermiddel dat te pas en ook wel eens te onpas werd ingezet. Totdat bleek dat micro-organismen na verloop van tijd zich ertegen konden verweren (resistentie) en patiënten er plotseling levensgevaarlijk overgevoelig op konden reageren (anafylactische shock). De laatste jaren wordt er veel terughoudender met antibiotica omgegaan.

De vanzelfsprekendheid van de vaccinatie

Het valt mij op dat het principe van vaccineren niet ter discussie staat. In het denken van de arts is vaccineren een onbetwistbaar mooi medisch middel. Hoe komt dit? Hiervoor moeten we een stukje in de tijd terug reizen: in de 19e eeuw vormden infectieziekten een groot probleem. Hoewel de pandemieën (pest, pokken) achter de rug waren en een enorme ravage hadden aangericht onder de bevolking, zorgden epidemieën nog steeds voor veel zieken en sterfte.

De regering Thorbecke kondigde in 1865 een wet op de uitoefening van de geneeskunst af. Hierin werd bepaald dat alleen diegenen die universitair opgeleid waren, en daarmee een wetenschappelijk model hanteerden, bevoegd waren tot het beoefenen van de geneeskunst. Vanaf dit moment werd geneeskunst bevorderd tot geneeskunde en werd het geleid door een wetenschappelijk model. Het hoofdstuk ‘Een 19e eeuws wetenschapsmodel’ gaat hier uitgebreid op in.

Dit nieuwe wetenschappelijke werkmodel vond een dankbare toepassing op een van de grote medische problemen van de 19e eeuw: infectieziekten. Hoewel de praktijk niet altijd gemakkelijk was, is de aanpak eenvoudig: isoleer de ziekteverwekker, toon aan dat hij inderdaad de boosdoener is en vertaal deze informatie naar een bestrijdingsprogramma (elimineren en vaccineren). Tot diep in de 20e eeuw heeft de geneeskunde veel aandacht gegeven aan de bestrijding en preventie van infectieziekten. Het kan niet ontkend worden dat deze aanpak vruchten heeft afgeworpen.

De inspanningen hebben hiernaast geleid tot nieuwe (half)medische specialismen zoals bacteriologie, virologie en epidemiologie. Ze zijn bovendien een stimulans geweest voor de farmaceutische industrie (antibiotica, vaccins). Met de toepassing van antibiotica en vaccinaties kon de nieuwgeboren wetenschappelijk verantwoorde geneeskunde zich goed profileren en dat heeft het ook gedaan.

Vaccinaties, één van de meest omstreden 'geneeskundige' methodes tegenwoordig.

Infectieziektebestrijding en de vaccinatiecampagnes vormen (een van) de wortels van het geneeskundig denken en doen. Ze zijn essentieel voor het bestaan van de medische wetenschap. Het feit dat de geneeskunde op dit terrein iets kan doen heeft prioriteit boven de vraag of dit het beste is om te doen. De onwetendheid over de eigen wortels is mogelijk de reden waarom er onder artsen nauwelijks discussie is over de waarde of het nut van vaccineren.

En als we het onderzoek naar mogelijke vaccinatiecomplicaties onder de loep nemen, lijkt men bevangen te zijn door een zeer korte termijnvisie. In de jeugdgezondheidszorg zijn kinderen bv. langdurig gevolgd om meer te weten te komen over hun ontwikkeling en ziekten, maar een mogelijk verband met vaccinaties wordt niet gelegd. Vanuit wetenschappelijk oogpunt is deze kritiekloze opstelling op zijn minst merkwaardig.

Zal kritiek leiden tot kentering?

Na het schijnbare succes van de kinderinenting (DKTP) is vaccineren vaste prik in de gezondheidszorg en de farmacie knutselt enthousiast verder aan vaccins waarmee tegenwoordig grote sommen geld gemoeid zijn. De nieuwe vaccinatieterreinen zijn mazelen, de bof, rode hond en HPV. De eerste drie (kinder)ziekten zijn voor 100% het gevolg van micro-organismen, maar de inentingen zijn vooral in het leven geroepen om complicaties, die bij een kleine groep optreden, tegen te gaan. De HPV-vaccinatie zou moeten beschermen tegen baarmoederhalskanker, terwijl dit virus lang niet alleen verantwoordelijk is voor de ziekte. Er zijn nog veel onopgehelderde zaken rond dit programma die de protestacties grond onder de voeten heeft gegeven.

De gretigheid waarmee de geneeskunde een vaccinatie tegen de te verwachten Mexicaanse pandemie heeft aanbevolen, heeft de gemoederen opnieuw beroerd.

De gezondheidszorg heeft nu het beeld geschapen dat het ons allemaal wel erg graag gevaccineerd ziet. aar de samenleving roert zich. De HPV-vaccinatie en de vaccinatie tegen de Mexicaanse griep hebben tot veel verontrusting en protesten geleid (in ieder geval op internet). De geneeskunde is hiermee overdonderd en mogelijk ook tot diep in de wortels geraakt. Het beste antwoord hierop zou zijn dat de geneeskunde zijn eigen wortels kritisch gaat onderzoeken en een aantal zaken gaat herdefiniëren.

Medicijnen en manipulatie

Een belangrijk deel van de medische behandeling bestaat uit het voorschrijven van medicijnen, de scheikundige toepassing in de geneeskunde op basis van een biochemisch model van het lichaam. Klachten worden vertaald in ontspoorde biochemische processen. Met behulp van synthetische middelen kan je deze manipuleren.

Arts, astroloog en apotheker

Van oudsher had de arts kennis van kosmos, natuur en mens. Ook al waren zijn instrumenten primitief en

was zijn kennis beperkt, zijn zienswijze was holistisch, zoals we dit nu zouden noemen. Het leven op aarde en in de hemel was één samenhangend geheel en vanuit dit gezichtspunt kende de arts het passende geneesmiddel voor mensen en ziekten. “De natuur geneest” was een vanzelfsprekendheid en voor elke aandoening bood de natuur een genezend middel. Dat kon een tegengif zijn, maar evengoed een middel om de gezondheid (constitutie) te versterken.

In de 19e eeuw was er al veel veranderd in de kijk op het leven. De scheiding van kosmos, natuur en mens heeft een onvoorstelbaar ingrijpende invloed gehad. De natuur veranderde van een wereld waarmee je samenwerkte in een wereld waartegen we ons moesten wapenen. Mogelijk dat het probleem met de epidemieën hiertoe heeft bijgedragen. Maar zeker ook door de scheiding van geest en lichaam, dankzij de grote filosofen. De medische wetenschap kon ziekte niet meer in de hand van God leggen. Van de natuur moesten we het niet meer hebben, van de scheikunde des te meer.

Van kruiden naar chemicaliën

In het nieuwe natuurwetenschappelijke model kreeg de scheikunde alle zeggenschap over de geneesmiddelen. Er werd nog wel veel gebruik gemaakt van plantaardig en dierlijk materiaal, maar men was druk doende met het uit elkaar pluizen tot op het moleculaire bot. Men was op zoek naar de werkzame stof, zodat deze chemisch nagemaakt kon worden. De arts hoefde zelf niet meer plantjes te plukken en poep te rapen, er was nu een apotheker die uit de werkzame bestanddelen pilletjes draaide en drankjes destilleerde.

De farmaceutische industrie kijkt met een leep oog naar het ongelooflijk gevarieerde natuurlijk pallet met geneeskrachtige planten en kruiden.

Door scheikundige ogen gekeken, zag (en ziet) ons lichaam eruit als een wereld van biochemische processen die op complexe wijze in elkaar grijpen. Bij klachten ging de arts nu op zoek naar een fout in de biochemische stofwisselingsketen en de apotheker kreeg de opdracht om een stof te maken die de foute reactie kon bijsturen. Het synthetische geneesmiddel kon aan zijn opmars beginnen.

Medicijn en manipulatie

Het medische ijkpunt is het biochemisch model van ons lichaam dat, statistisch gezien, voorkomt onder de meeste mensen (normaalwaarden). Bij klachten worden de biochemische waarden van de patiënt vergeleken met de normaalwaarden. Met behulp van het laboratorium kan er een tekort, een teveel of een vreemde stof vastgesteld worden. Op basis van de biochemische afwijking kiest de arts de stoffen uit die toegediend moeten worden om het lichaam weer in model te krijgen.

De toegediende chemische stof verandert op een specifieke plek in de grote stofwisselingsketen één onderdeel, zodat alle reacties verderop anders zullen verlopen. Het resultaat moet zijn dat de verstoring opgeheven wordt. Dit werkingsprincipe komt neer op een doelgerichte manipulatie van het stofwisselingsproces in ons lichaam. Helemaal prima zou je denken, zeker als de klachten inderdaad verdwijnen. De patiënt is genezen. Toch zit er een addertje onder het gras.

Bijwerkingen en andere obstakels

Het actieve chemische bestanddeel van het medicijn kan je in de meeste gevallen niet puur toedienen. Het zou zelfs giftig zijn voor ons lichaam. Het moet worden verpakt in een opneembare vorm, bv. een tablet, een drankje, een zetpil, een zalf. Bovendien moet het bewaard kunnen worden en steriel blijven. Er moeten dus andere stoffen aan te pas komen om hiervoor te zorgen en dat zijn er niet weinig. Om enkele te noemen: conserveringsmiddelen, antibacteriële middelen, oplosmiddelen, vulstoffen, bindmiddelen, emulgatoren, kleur- en smaakstoffen, glijmiddelen.

Deze stoffen komen ook in ons lichaam en een aantal hiervan kunnen bijwerkingen veroorzaken. Sommige bijwerkingen zijn acceptabel, maar elk synthetisch medicijn kent ook ongewenste bijwerkingen, die gelukkig niet bij iedere gebruiker klachten geven. Toch komt het regelmatig voor dat patiënten een arts raadplegen voor een pakket van klachten die grotendeels verdwijnen wanneer (bijna) alle medicijnen gestaakt worden.

Medicijngebruik kan dus naast een medische oplossing ook een medisch probleem vormen. Het werkzame deel van het medicijn moet je maar op de plek zien te krijgen waar je het hebben wilt. Op de huid kan je het plaatselijk aanbrengen, maar het wordt lastiger wanneer het ergens van binnen zijn werk moet doen, wat vaak het geval is. In veel gevallen lukt dit dan ook niet. Het medicijn, met alles erop en erin, komt vroeg of laat in het bloed en daarmee overal in ons lichaam. Daarom kunnen er andere delen van het lichaam hierop gaan reageren die eerst niet in het klachtenverhaal of ziektebeeld voorkwamen. Bij chemotherapie bv. doet dit probleem zich heel duidelijk en heel onaangenaam voor.

Synthetisch versus natuurlijk

In het laboratorium is niet alleen de werkzame stof geïsoleerd, men heeft het bovendien geconcentreerd. Het synthetische geneesmiddel bevat een duizelingwekkende hoeveelheid hiervan in vergelijking met de minuscule hoeveelheden in het lichaam. In zijn natuurlijke samenstelling, dat wil zeggen in plantaardig of dierlijk materiaal, heeft de werkzame stof een natuurlijke omgeving. Dit zijn andere stoffen die ogenschijnlijk niets doen in het lichaam en door de farmacie wordt gezien als ballast.

Maar het natuurlijke evenwicht tussen werkzaam bestanddeel en omgevingsstoffen is makkelijk te verwerken door ons lichaam en kan zijn genezende werk doen. Ons lichaam is een deel van de biologische natuur en natuur herkent natuur. Daarom geven natuurgeneeskundige en homeopathische middelen nauwelijks of in ieder geval veel minder bijwerkingen dan synthetische geneesmiddelen.

Genezen en geld

Het onderzoek naar en produceren van medicijnen is tegenwoordig een combinatie van wetenschap en technologie. Er zijn altijd nauwe banden geweest tussen arts en apotheker. Aanvankelijk waren beide beroepen binnen één persoon verenigd.
Later werden het twee aparte beroepen en nu zijn het twee instituties: gezondheidszorg en farmaceutische industrie. In de samenwerking is echter wel iets fundamenteels veranderd. Was de arts in eerste instantie de deskundige en initiatiefnemer tot het zoeken naar een geneesmiddel, nu wordt dit gedaan door farmaceuten. In hun laboratoria worden de ideeën voor medicijnen ontwikkeld en in hun fabrieken worden ze geproduceerd.

"Is this the sound of knispering money I hear in my stetoscope?"

De geneeskunde als medische wetenschap heeft zich in vele richtingen gespecialiseerd. Eerst is de productie van geneesmiddelen uitbesteed aan apothekers, later farmaceuten en tegenwoordig is ook het geneesmiddelonderzoek in handen van de farmaceutische industrie. De situatie is inmiddels zo dat de bron van veel medische kennis afkomstig is uit technologie en andere wetenschappen. Kennis van pathofysiologie en biochemie, die de bodem vormen onder de ziekte- en symptomenleer, komt uit het farmaceutisch laboratorium.

Uit schandalen in de farmaceutische industrie weten we dat hun prioriteit niet bij onze gezondheid ligt, maar bij handel. Inmiddels is ziekte als afzetmarkt voor de farmaceutische industrie niet meer winstgevend genoeg en worden nu ook gezonde mensen als doelgroep aangeboord. Voor deze laatste manoeuvre blijkt internet een ideaal medium te zijn: via onschuldige gezondheidstestjes word je geruisloos in de farmaceutische fuik getrokken.

De medicus gemanipuleerd?

Medische kennis is erg afhankelijk geworden van commerciële toeleveranciers. Dit heeft gevolgen voor de medische behandeling. In het geval van medicijnen is de medicus totaal afhankelijk van de farmacie. Niet omdat deze de enige geneesmiddelenproducent zou zijn, maar omdat de farmacie een wezenlijk deel van de medische basiskennis en de totale geneesmiddelkennis bepaalt. Zodoende wordt bij een groot aantal ziektebeelden de patiënt niet persoonlijk, maar als een biochemische fabriek benaderd.

De medische wetenschap is de regie over zijn eigen beroepsuitoefening kwijt en de gezondheidszorg is overgeleverd aan de farmaceutische proeven en producten. Er zijn wel andere opties, zoals natuurgeneeskundige en homeopathische medicijnen, maar het natuurwetenschappelijk model geeft de medicus geen ruimte hiervan gebruik te maken.

Arts en ambacht

De hedendaagse geneeskunde maakt overvloedig gebruik van medische techniek, een vorm van medisch toegepaste natuurkunde. Techniek wordt ingezet ten behoeve van diagnostiek (radiologie, hart- en hersenfilmpje), therapie (bestraling, chirurgie) en het tijdelijk overnemen van lichaamsfuncties (nierdialyse, hart-longmachine). Hoewel dit specialistenwerk is, moet de arts in opleiding al veel over natuurkunde en techniek leren.

Meten is weten

De natuurwetenschappelijke kijk op mens en ziekte leidde ertoe dat alles wat er in het lichaam gebeurt op de meetlat gelegd moest kunnen worden. De persoonlijke zintuigen van de arts waren niet meer voldoende, neen, het lichaam moest helemaal binnenste buiten gekeerd kunnen worden. In hoog tempo werden instrumenten ontwikkeld die de medische zintuigen konden aanvullen: stethoscoop, microscoop, röntgenfoto, scan.

Met de ontdekking van de microscoop door Anthony van Leeuwenhoek, leek een eerst stap gezet van geneeskunst naar -kunde.

Ontwikkelingen vanuit de scheikunde leverde uitgebreider en meer genuanceerd bloedonderzoek en vele nieuwe laboratoriumtechnieken. De microbiologie bracht mogelijkheden om micro-organismen te isoleren en te kweken. In de laatste 50 jaar is het aanbod van onderzoeksmogelijkheden zo enorm dat de arts zijn eigen zintuigen nog maar op beperkte schaal gebruikt voor diagnostiek. Het doorslaggevende bewijs hebben artsen tegenwoordig in handen gelegd van ‘nader’ onderzoek. Dan is het objectief en dus onafhankelijk van de kunde of onkunde van de arts. Deze manier van werken beschouwt de geneeskunde als wetenschappelijk verantwoord.

Het is zo’n gebruikelijke gang van zaken geworden dat dit niet alleen een eis is vanuit de medische wetenschap, maar ook vanuit de bevolking. Patiënten begonnen van hun artsen te eisen om alle beschikbare technieken in te zetten om een diagnose vast te stellen, ook al is deze reeds vastgesteld met minder geavanceerde middelen.

Hoewel we met behulp van al deze technieken zeer veel informatie over het lichaam boven tafel kunnen halen, komt het ook regelmatig voor dat een spijkerharde diagnose niet gesteld kan worden. Diagnostische technologie kan in veel gevallen, maar niet altijd, aanwijzen waar in het lichaam een ‘fout’ zit. Een fout betekent dat er in de bouw of de chemie van het lichaam iets niet klopt. Hiernaar wordt dan verwezen in de ziektenaam, bv. een –itis verwijst naar een ontsteking en een –oom of –oma (niet de vrouwelijke vorm) verwijst naar een gezwel. In de behandeling probeert de arts de fout te corrigeren of weg te nemen. Het komt echter regelmatig voor dat de fout wel is gevonden, maar een passende behandeling nog uitgedokterd moet worden.

Reparatie en reconstructie

Een belangrijk uitgangspunt in de medische behandeling is het uitschakelen van de oorzaken van de ziekte.

Dat is bij infectieziekten wel te doen en bij verwondingen niet zo relevant. De meeste aandoeningen ontstaan echter door een complex samenspel van factoren. Het aanpakken van de oorzaak met behulp van wetenschappelijk onderzoek kost veel tijd en geld. Om practische en economische redenen, èn om toch wat voor de patiënt te doen, beperkt de behandeling zich tot het corrigeren van de fout. Met deze symptomatische bestrijding hoopt de arts dat de klachten verdwijnen.

Twee belangrijke invalshoeken in de behandeling zijn het toedienen van medicijnen en de chirurgie. Medicijnen doen hun werk in het lichaam door chemische processen te blokkeren en bij te sturen. Over de medische relatie tussen medicijnen en farmacie schrijf ik meer in het hoofdstuk ‘Medicijnen en manipulatie’. Met behulp van chirurgie kunnen zieke organen en weefsels uit het lichaam verwijderd worden en kan men onderdelen van het lichaam repareren.

Een niet te onderschatten groep van medische problemen is het gevolg van verwondingen (trauma) waarbij vooral reparatie en soms ook reconstructie nodig is. Om het lichaam weer in vorm te krijgen en te laten functioneren wordt er van de chirurg gevraagd om een vakkundig monteur te zijn. Het imago dat de geneeskunde tegenwoordig uitstraalt is dat van een imposant technisch kunnen. Dit wordt aangedikt tot bovennatuurlijke proporties op televisie en film, wat heeft geleid tot torenhoge en tevens onhaalbare verwachtingen bij het publiek.

Het begon in de 2e helft van de 20e eeuw met verbluffende operaties. De eerste harttransplantatie van Dr. Barnard in 1967 veroorzaakte een schokgolf in de (medische) wereld. Er zouden nog vele chirurgische prestaties volgen en het eind is nog niet in zicht. Tegenwoordig speelt de plastische chirurgie zich flink in de kijker en wordt niet meer op uitsluitend medische gronden toegepast: met een dikke portemonnee kan je allerlei verbouwingen aan je lichaam laten verrichten.

Medische techniek: een pijler van de geneeskunde

De beoefening van de geneeskunde dankt zijn huidige bestaan en bewondering aan twee pijlers: de bestrijding van infectieziekten en de bouwwerkzaamheden aan het lichaam. Over de bestrijding van infectieziekten kan je meer lezen in het hoofdstuk ‘in de ban van infectieziekten’.

De ontwikkeling van medische reparatiewerkzaamheden is grotendeels te danken aan de industriële revolutie en twee wereldoorlogen. De industriële revolutie bracht een nieuwe variëteit aan bedrijfsongevallen met zich mee en de geneeskunde moest daar een passend antwoord op zien te vinden. Een zeer sterke stimulans was de 1e wereldoorlog (1914-1918) die werd uitgevochten met nieuw en gemeen wapentuig. Het leverde mensonterende verminkingen op bij soldaten en burgers. Zo goed en zo kwaad als mogelijk sleutelden chirurgen met veel kunst en vliegwerk aan deze oorlogsslachtoffers om hun leven nog een bestaan te geven.

De 2e wereldoorlog (1940-1945) deed hier een flinke schep bovenop en confronteerde de artsen met een regelrechte ravage. Het dwong de geneeskunde in rap tempo specialistische chirurgische technieken te ontwikkelen. Er ontstond een nauwe samenwerking tussen geneeskunde en techniek, mede dankzij ontwikkelingen op het gebied van de natuurkunde en de ruimtevaart.

Met de komst van de 'grote machines' (hier een MRI-scanner) leek de kunde en kennis van het genezen, in handen te komen van de techneuten.

Chirurgen zijn knutselaars en er zitten hele goede tussen. Het zijn de monteurs en mecaniciens in de geneeskunde. Soms pragmatisch, soms kunstzinnig werken zij aan de machine die ‘lichaam’ heet en het is vaak een dankbare taak. Deze ambachtelijke tak van de geneeskunde heeft flink aan bodybuilding gedaan en is waarlijk een terrein waarop de geneeskunde excelleert. De chirurgie heeft zijn nut en noodzaak bewezen en maakt genezing mogelijk, zij het in beperkte mate. De chirurg kan de patiënt geen gezondheid geven, maar wel dingen aan het lichaam verbeteren en verlichten.

Van arts tot ambacht

Kijkend naar het algemene beeld van de medische wetenschap lijkt het imago van de arts als wijze raadgever, invoelende hulpverlener en kundig genezer uitgestorven. De patiënt als hulpbehoevende medemens is geworden tot een biomachine waaraan gesleuteld kan worden. Ons lichaam is een lichaam geworden. Op de Intensive Care bewegen witte jassen zich tussen bakken metaal, een wirwar van draden, knipperende lichtjes en ritmische piepjes en ergens daartussen ligt een lichaam, zielloos, maar niet dood.

Op de OperatieKamer buigen groene gedaanten onder wit licht zich over een vierkant gat in een roodverkleurd groen laken, ondersteund door ritmisch gestamp van beademing en popmuziek. Dit is het populaire beeld dat de media presenteren van de medische beroepsgroep als levensreddende engelen in een technologisch tijdperk. Het heil zal van de technologie komen en de arts is de vakman die geleerd heeft de instrumenten te hanteren en de apparatuur te bedienen. En wie weet, kunnen de medische bouwvakkers in de toekomst het lichaam zó verbouwen en verbeteren dat het ons niet meer in de weg zit.

EEN 19E EEUWS WETENSCHAPSMODEL

Wat mij eerst van het hart moet

Mijn kritiek op de medische wetenschap geldt het instituut en de medici die dit ondersteunen en in stand houden. Ik weet echter ook dat er vele artsen zijn die vanuit hun betrokkenheid en liefde voor de mensheid in staat zijn een waarlijk humane uitoefening te geven van het beroep, zelfs op de meest technologische plekken in de gezondheidszorg. Zij zijn de juwelen van het beroep. Ook zijn er overal verspreid artsen die, meestal ongemerkt, gebruikmaken van een 6e zintuig. Aan hen kan de patiënt zich met een gerust hart toevertrouwen.

Er zijn ook veel artsen die wel degelijk open staan voor andere zienswijzen, psychotherapeutische inzichten toepassen of opgeleid zijn in een alternatieve geneeswijze. Deze collega’s hebben mijn respect en bewondering. Ik wil hen absoluut niet tekort doen en hen dus niet over één kam scheren met de beroepsgenoten die ik in dit hoofdstuk in beeld breng.

In mijn schrijfwijze maak ik geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Iedere keer in de 3e persoon enkelvoud schrijven met hij/zij en hem/haar vind ik zelf erg storend. De tekst gaat over de geneeskunde als beroep en instituut en niet over de persoonlijke uitoefening van het beroep. Zodoende is mijn keuze gevallen om het geslacht van het zelfstandig naamwoord aan te houden.

Natuurwetenschap

Het medisch model, dat is gebaseerd op de natuurwetenschappen, lijkt gevangen in een 19e eeuws wereldbeeld dat in de 21e eeuw misschien wel ouderwets en achterhaald genoemd kan worden. Een aantal tekortkomingen in de huidige tijd kunnen mijns inziens hieruit verklaard worden. Bepalende elementen in een medisch model zijn: de kijk op mens, lichaam, op ziekte en gezondheid. De medische kijk op wetenschapsbeoefening en bewijsvoering lijkt diverse ontwikkelingen op dit gebied niet erg in de armen gesloten te hebben.

De kunst van het kijken

Een denkraam bepaalt hoe je kijkt en wat je ziet. Opleidingen vullen onze hoofden met feitenkennis waarmee we ons denkraam opbouwen. Het wordt de bril waardoorheen we de wereld gaan bekijken. Wat binnen je gezichtsveld valt, zie je en wat erbuiten valt zie je niet. Wat je ziet, onderzoek je en kan je leren kennen. Wat je niet ziet, onderzoek je niet en zal je niet leren kennen. Het denkraam van de medische wetenschap biedt een gezichtsveld met zicht op materie en mechanica en probeert hiermee de hele mens te lijf te gaan.

Materie en mechanica

Het wereldbeeld in de 19e eeuw was een kind van de Verlichting uit de 17e en 18e eeuw. De grote denkers (Descartes was de beroemdste) hadden de ratio, ons verstand, ontdekt en schreven hier grootse vermogens aan toe. Maar hier is nogal wat aan vooraf gegaan.

Van God los

Onder aanvoering van astronomen, wiskundigen en natuurkundigen had de wetenschap zich los geworsteld van de Kerk. Religie was onttroond en een geloof geworden. God’s rol was uitgespeeld als de grote veroorzaker en oplosser van alle dingen. Alles wat “van geest” was moest het veld ruimen en werd het domein van theologen en filosofen. Alle hoop richtte zich nu op kennis en het was nu de wetenschap die de wereld dicteerde wat werkelijkheid was en hoe dat er uit zag.

Wetenschap en werkelijkheid

In de wetenschapswereld van de 19e eeuw liep de natuurkunde voorop met het model van de wereld als een verzameling dingen die eigenschappen hadden en aan wetten gehoorzaamden. Alles wat (zintuiglijk) waargenomen en gemeten kon worden, kreeg recht op bestaan. De wetenschap dook in de materie en nam de wereld in bezit. Alle dingen waren samengesteld uit massa en daarvan kon je eigenschappen vaststellen (gewicht, afmeting, volume, structuur, kleur, etc.). Al hun bewegingen gehoorzaamden aan wetten (mechanica).

Alle dingen stonden in een lijnrecht (logisch) verband tot elkaar, als oorzaak en gevolg (causaliteit). De wetenschappers keken met natuurwetenschappelijke ogen naar de wereld en namen haar de maat op. De grote opmars van kennis was begonnen. De wereld werd blootgelegd met de verwachting dat, wanneer alles op zijn plek lag en de materie doorgrond was, zij onder controle gebracht kon worden. De weg naar een maakbare wereld was ingeslagen.

Deze natuurwetenschappelijke zienswijze maakte de weg vrij voor de biologie en de scheikunde. In dit gezelschap profileerde de geneeskunde zich tot een wetenschappelijke status. Bekrachtigd door de ‘wet op de uitoefening van de geneeskunst’ in 1865 werd de natuurwetenschappelijke geneeskunde de enig toegestane geneeswijze.

Meten is weten

Voor de natuurwetenschappelijke invalshoek is het lichaam het voornaamste objectiveerbare aspect van de mens. Aan het lichaam kan je veel dingen meten die je bovendien kunt vertalen in hoeveelheden (kwantificeren). In ieder lichaam, onafhankelijk van de persoon, zitten dezelfde ingrediënten, zoals organen, weefsels, cellen, eiwitten en mineralen, om maar wat te noemen. Dit kan je allemaal onderzoeken op eigenschappen en omzetten in aantallen. Gevoelens en gedachten zijn persoonlijk (subjectief) en verschillen van mens tot mens, ze zijn dus veel lastiger te kwantificeren.

Meten is weten, maar met alleen kille cijfers kom je er niet. Ze dienen gerelateerd te worden aan een 'groter geheel'.

Als ijkpunt (normaalwaarden) gebruikt de medische wetenschap de eigenschappen en hoeveelheden zoals deze voorkomen in de meeste niet-zieke lichamen Als hoeveelheden van een chemische stof of van een celsoort hiervan afwijken, dan levert dat een maat voor ziekte. De medische wetenschap heeft zich gedurende de 20e eeuw volledig verankerd in de materie en binnen dit kader wordt alle medische kennis opgebouwd. Wat “er nog meer is” wordt niet als medisch terrein beschouwd wat in de dagelijkse praktijk nog wel eens als een blinde vlek werkt.

Medische kijk op de mens

De wetenschappelijke beoefening van de geneeskunde bestond en bestaat nog steeds uit het opbouwen van kennis volgens het natuurwetenschappelijke denkraam. Geest en lichaam werden gescheiden en het lichaam werd het domein van de geneeskunde. Alles wat niet lichamelijk was, werd het domein van de psychiatrie en psychologie en zou pas in de 20e eeuw meer vorm krijgen. Voor de bouw en de bewegingen van het lichaam, gebruikt de geneeskunde het model van een (bio)machine. Voor het functioneren van het lichaam gebruikt men het model van een (bio)chemische fabriek. Dit is waar de medicus naar kijkt bij een patiënt, waarbinnen hij zoekt naar een diagnose en waarop de behandeling wordt ingezet.

Voor de medische wetenschap is de patiënt vooral een lichaam, niet meer dan een verzameling organen en weefsels die een samenhangend, functionerend systeem vormen met behulp van chemische stoffen. Als hierin geen afwijkingen gevonden worden, hebben we ofwel geen ziekte ofwel worden we verwezen naar een psychiater. Als de medicus wèl een afwijking in ons lichaam vindt, zal hij deze bestrijden met medicamenten of corrigeren met chirurgie (symptoombestrijding).

Iedereen beleeft zichzelf als méér dan zijn lichaam en ìs dat ook. Lichaam en geest zijn ongelooflijk nauw met elkaar verweven in de mens, maar in de reguliere opvatting worden ze als twee afzonderlijke onderdelen benaderd en behandeld.

De medische wetenschap onderkent wèl dat geest en lichaam elkaar beïnvloeden, maar met het kennisgehalte van deze wisselwerking en uitwisseling is het bedroevend gesteld, om over de behandelmogelijkheden maar te zwijgen. De materialisten binnen de medische wetenschap gaan er zelfs van uit dat het bewustzijn een product is van de hersenen.

Geleid door dit mensbeeld heeft de geneeskunde zich geprofessionaliseerd op een vrij laat traject in het ziekteproces en lijkt een positie als eindstation het meest passend. Pas als er verstoring of schade is op lichaamsniveau kan het in actie komen. Het traject dat hieraan vooraf gaat, valt buiten het gezichtsveld van de medische wetenschap. Veel alternatieve geneeswijzen kunnen hier wèl behandeling bieden. Hierover zal ik iets meer schrijven in de vervolghoofdstukken ‘Alternatieven in de Aanbieding’.

(deel 2 van deze beschouwing volgt binnen een paar dagen)

Reageer (39) Print

Waardeer dit Artikel:

1 stem(men), Stem nu!

Deel dit artikel:

39 Reacties op: Geneeskunde: Van kunst naar kunde en geknutsel..! (deel 1)

Reageer op dit artikel Volg deze reacties Volg alle reacties op WantToKnow

Plaats hier uw reactie

Uw email wordt nooit gepubliceerd of gedeeld met derden. Verplicht veld *

Wilt u een Persoonlijke Avatar afbeelding bij uw reacties? Ga dan naar www.gravatar.com

Home
Top
Help
Contact
Muziek